Genealogische website van Cees Hagenbeek
Beije Doensz van Driel
Beije Doensz van Driel1, geb. Poortugaal in 1406, schepen van Poortugaal in 1458 en 1463, ovl. Poortugaal op 18 jan 1484,
, beleend op 11-9-1452 met het leenland van zijn vader, in 1454-1455 leenmangetuige voor de Heer van Putten, op 8-12-1455 beleend net de dijk gelegen aan de molen van Poortugaal en de Zweerdijksedijk, in 1457 leenmangetuige, en 10-10-1458 vermeld als schepen van Poortugaal, 1-7-1461 voogd over de kinderen van zijn zuster Ariaentge, pacht in 1462 een tiende gelegen tot Poortugaal, in 1464 wordt Wouter Pietersz. zijn zwager (= schoonzoon) genoemd, zegelt 1-5-1465 voor zijn neef Olaert Hendricksz, schepen van Poortugaal, vestigt samen met zijn (oudste) zoon Aert Beyensz. een memorie op 2 gemet land.
Leenman van Putten(1455-1485), schepen van Poortugaal(1458-1462), stichter van een memorie te Nieuw Rhoon. Neef van Olaert HENRICKSZ. Ons Voorgeslacht 1972 bldz.143, Ons Voorgeslacht 1972 bldz.142, Hollandse Studieën 3 bldz.105. In 1457 leenmangetuige en op 10 Okt 1458 vermeld als schepen van Poortugaal. In 1454-1455 leenmangetuige voor de heer van Putten. Beleend op 11 Sep 1452 met het leenland van zijn vader. Neemt op 8 Dec 1455 twee droge dijken te Poortugaal in leen, nl. de latere Kruisdijk en de dijk gelegen langs de korenmolen, die achter de dijk van Albrantswaard zijn komen te liggen. Juist ten noorden van de plaats, waar de beide lenen elkaar ontmoeten, ligt een boerderij tegen de binnenkant van de dijk op de dijkzate, waarvoor jaarlijks één kapoen moet worden betaald. Deze betaling geschiedt van 1459 tot 1469 door hem, de boerderij wordt dan nog naar een vorige eigenaar de Thomashofstede genoemd. In deze periode is hij 32sc. 6d. aan jaarlijkse accijns verschuldigd voor 4 gemet 1 lijn land bij de kerk en 3 pond hollands voor 7 1/2 gemet land, genaamd de Grote Weyde. Op 1 Jul 1461 voogd over de kinderen van zijn zuster Ariaentge. Pacht in 1462 een tiende gelegen tot Poortugaal. In 1466 wordt Wouter PIETERSZ zijn zwager(=schoonzoon) genoemd. Zegelt op 1 Mei 1465 voor zijn neef Olaert HENDRICKSZ. Vestigt samen met zijn oudste zoon Aert BEIJENSZ een memorie op 2 gemet land in ver Nellenhouck, te versterven op zijn zoon Doen. Deze laatste wordt na de dood van zijn vader op 8 Jan 1485 beleend met diens lenen. Van 1459 tot 1465 betaalt hij 18sc. hollands voor de quade 6 gemet. Van 1461 tot 1465 pacht hij de droge dijk tussen het Oostdorp en de Driendijk, de plaats waar zijn leendijken bij de boerderij beginnen, tegen 2 pond 16 1/2, in 1466 tegen 20sc. In 1461 pacht hij tienden van Waddenswaert tegen 7 pond 10 1/2 sc. en in 1465 die voor het dorp tegen 10sc. en de lammertiende tegen 4 pond 1sc. Van 1459 tot 1462 pacht hij samen met Jan MATTENSZ de staalvisserij van Battenoert tegen 37 pond hollands en van 1466 tot 1468 de potinge in die Roden als rietbroek en visserij tegen 5 1/2 pond. De zwaandrift in Poortugaal pacht hij van 1466 tot 1468 tegen 2 pond 5sc. en in 1469 tegen 2 pond. Hij houdt van 1466 tot 1469 2 gemet land aan de Puddikepoelseweg tegen 28sc. samen met Claisz GOUT en Wouter PETERSZ het grootste deel van het land te Poortugaal van het klooster Nieuwlicht in pacht tegen 283 rijnsguldens 9 st.
=========
Beijen Doenszn. Overl. voor, 28 januari 1485.
Leenman van Putten, hij volgt zijn vader in diens leengoederen op, schepen van Poortugaal 1458 (bron: Cartularium van het karthuizer klooster Nieuwlicht akte: 47 V) en 1462 (bron: Leenkamer Holland akte: 83/5), in welk jaar hij een tiende aldaar in pacht houdt (bron: Archief van de besturen van de domeinen akte: 747/A). Nam op 8 december 1455 twee droge dijken te Poortugaal in leen, namelijk de latere Kruisdijk en de dijk langs de korenmolen. Van 1459 tot en met 1469 betaalde hij jaarlijks 1 kapoen voor de Thomashofstede, een boerderij tegen de binnenkant van de dijk. Van 1459 tot en met 1462 pachtte hij de staalvisserij te Battenoert en van 1466 tot en met 1468 de potinge in die Roden als rietbroek en visserij. Hij vestigt zijn memorie op 5 gemet land te Nieuw Rhoon (bron: Register van memorie stichtingen in de kerk te Poortugaal akte: 105), te versterven op zijn zoon Doen Beyenszn. Deze werd na de dood van zijn vader op 28 januari 1485 beleend met diens lenen.
Rel.
36769 Lijsbeth N.N. Overl. 17 december 1485.
Zet enige memorie met haar zoon Cornelis Beijenszn. op 6 gemet land liggende in Pernis.
==========
Leenman van Putten(1455-1485), schepen van Poortugaal(1458-1462), stichter van een memorie te Nieuw Rhoon. Neef van Olaert HENRICKSZ. Ons Voorgeslacht 1972 bldz.143, Ons Voorgeslacht 1972 bldz.142, Hollandse Studieën 3 bldz.105. In 1457 leenmangetuige en op 10 Okt 1458 vermeld als schepen van Poortugaal. In 1454-1455 leenmangetuige voor de heer van Putten. Beleend op 11 Sep 1452 met het leenland van zijn vader. Neemt op 8 Dec 1455 twee droge dijken te Poortugaal in leen, nl. de latere Kruisdijk en de dijk gelegen langs de korenmolen, die achter de dijk van Albrantswaard zijn komen te liggen. Juist ten noorden van de plaats, waar de beide lenen elkaar ontmoeten, ligt een boerderij tegen de binnenkant van de dijk op de dijkzate, waarvoor jaarlijks één kapoen moet worden betaald. Deze betaling geschiedt van 1459 tot 1469 door hem, de boerderij wordt dan nog naar een vorige eigenaar de Thomashofstede genoemd. In deze periode is hij 32sc. 6d. aan jaarlijkse accijns verschuldigd voor 4 gemet 1 lijn land bij de kerk en 3 pond hollands voor 7 1/2 gemet land, genaamd de Grote Weyde. Op 1 Jul 1461 voogd over de kinderen van zijn zuster Ariaentge. Pacht in 1462 een tiende gelegen tot Poortugaal. In 1466 wordt Wouter PIETERSZ zijn zwager(=schoonzoon) genoemd. Zegelt op 1 Mei 1465 voor zijn neef Olaert HENDRICKSZ. Vestigt samen met zijn oudste zoon Aert BEIJENSZ een memorie op 2 gemet land in ver Nellenhouck, te versterven op zijn zoon Doen. Deze laatste wordt na de dood van zijn vader op 8 Jan 1485 beleend met diens lenen. Van 1459 tot 1465 betaalt hij 18sc. hollands voor de quade 6 gemet. Van 1461 tot 1465 pacht hij de droge dijk tussen het Oostdorp en de Driendijk, de plaats waar zijn leendijken bij de boerderij beginnen, tegen 2 pond 16 1/2, in 1466 tegen 20sc. In 1461 pacht hij tienden van Waddenswaert tegen 7 pond 10 1/2 sc. en in 1465 die voor het dorp tegen 10sc. en de lammertiende tegen 4 pond 1sc. Van 1459 tot 1462 pacht hij samen met Jan MATTENSZ de staalvisserij van Battenoert tegen 37 pond hollands en van 1466 tot 1468 de potinge in die Roden als rietbroek en visserij tegen 5 1/2 pond. De zwaandrift in Poortugaal pacht hij van 1466 tot 1468 tegen 2 pond 5sc. en in 1469 tegen 2 pond. Hij houdt van 1466 tot 1469 2 gemet land aan de Puddikepoelseweg tegen 28sc. samen met Claisz GOUT en Wouter PETERSZ het grootste deel van het land te Poortugaal van het klooster Nieuwlicht in pacht tegen 283 rijnsguldens 9 st.
=========
Beijen Doenszn. Overl. voor, 28 januari 1485.
Leenman van Putten, hij volgt zijn vader in diens leengoederen op, schepen van Poortugaal 1458 (bron: Cartularium van het karthuizer klooster Nieuwlicht akte: 47 V) en 1462 (bron: Leenkamer Holland akte: 83/5), in welk jaar hij een tiende aldaar in pacht houdt (bron: Archief van de besturen van de domeinen akte: 747/A). Nam op 8 december 1455 twee droge dijken te Poortugaal in leen, namelijk de latere Kruisdijk en de dijk langs de korenmolen. Van 1459 tot en met 1469 betaalde hij jaarlijks 1 kapoen voor de Thomashofstede, een boerderij tegen de binnenkant van de dijk. Van 1459 tot en met 1462 pachtte hij de staalvisserij te Battenoert en van 1466 tot en met 1468 de potinge in die Roden als rietbroek en visserij. Hij vestigt zijn memorie op 5 gemet land te Nieuw Rhoon (bron: Register van memorie stichtingen in de kerk te Poortugaal akte: 105), te versterven op zijn zoon Doen Beyenszn. Deze werd na de dood van zijn vader op 28 januari 1485 beleend met diens lenen.
Rel.
36769 Lijsbeth N.N. Overl. 17 december 1485.
Zet enige memorie met haar zoon Cornelis Beijenszn. op 6 gemet land liggende in Pernis.
==========
Beleend op 11-9-1452 met het leengoed van zijn vader (Ons Voorgeslacht, juni 1972, repertorium op de lenen van Putten, leen 63 en 64)
In 1454 en 1455 leenmangetuige voor de Heer van Putten (Archief Heren vanPutten, inv. nr. 67, fol. 11v-12v, 14, 15, 15v-16, 16, 16v-17.)
Op 8-12-1455 beleend met de dijk gelegen aan de molen van Poortugaal en de Zweerdijkse dijk (Archief Heren van Putten fol. 20)
In 1457 leenmangetuige (Archief Heren van Putten fol. 143v-144v.)
Op 10-10-1458 vermeld als schepen van Poortugaal (Ons Voorgeslacht nr. 98Klooster Nieuwlicht bij Utrecht, cartularium fol. 47v.)
Op 1-7-1461 voogd over de kinderen van zijn zuster Ariaentge Doen
Beyensdr. (G.A. Rotterdam, weeskamer inv. nr. 577. fol. 66-67, resp. inv.nr. 578, fol. 63-66v)
Pacht in 1462 een tiende gelegen tot Poortugaal (HLK inv. nr. 83, fol.
5-6r)
in 1464 wordt Wouter Pietersz. zijn zwager (=schoonzoon) genoemd (Archief Besturen van de Domeinen, inv. nr. 747a)
Zegelt 1-5-1465 voor zijn neef Olaert Hendricksz, schepen van Poortugaal (Ons Voorgeslacht nr. 98, Klooster Nieuwlicht bij Utrecht, cartularium, fol. 47v)
Vestigd samen met zijn (oudste) zoon Aert Beyensz. een memorie op 2 gemet land "Memoria parpetua (=eeuwige memorie) van Beye Doensz. ende Aert Beyensz.
zijn zoon staet op 2 gemeeten lants geleegen in Vernellenhouck; ende staet Doen Beyensz. van hem te coemen opte outste ende naeste die van Beye voornoemt gecoemen is." (de Blaffaard van de Memorielanden van Poortugaaldoor J.L. van de Gouw in Hollandse Studien nr. 3, 1972, memorie 105)
Fundatie van wekelijkse memories (= de vicarie) op Beye Doensz. "Item soo heeft Beye Doensz. gefondeert een eeuwige misse ter weecke te leesen binnen de kercke van Poortugael des vrijdaechs de Santa Cruce. Ende staet verseeckert op 5 gemeeten lants leggende in Nieuw Roon, aengelant de Memoristen van Delft aen de zuytzijde ende staet opten outsten ende naesten die van Beye Doensz. voorseyt gecoemen is" (de Blaffaard van de Memorielanden van Poortugaal door J.L. van der Gouw in Hollandse Studien nr. 3, 1972, memorie 141)
Overleden voor 28-1-1485 als zijn zoon Doen Beyensz. wordt beleend. (Ons Voorgeslacht juni 1972, repertorium op de lenen van Putten)
Beye was gehuwd met Lijsbeth N.N.
Vestigt na het overlijden van haar man met haar zoon Cornelis Beyensz,
een wekelijkse mis op 6 gemet land. "Lijsbet Beye Doensz. weduwe heeft geset haer eewige memorie met Cornelis Beyensz. haer soon mit een misse te weecke op 6 gemeeten lants leggende bij Arien Dirxz. in Pernis; Ende dese memorie sal men altijt doen op Sinte Michielsdag (= 29 september) ende sal doen Doen Beyensz. haer soon. (in de marge) Deze memorie is affgecoft aen de Heyligen Geest van Poortugael bij Doen Willemsz. ende meester Pieter Cornelisz." (de Blaffaard van de Memorielanden van Poortugaal door J.L. van de Gouw in Hollandse Studien nr. 3, 1972, memorie 82)
Beleend op 11 sep 1452 met het leenland van zijn vader.
In 1454-1455 leenman-getuige voor de Heer van Putten.
Op 8 dec 1455 beleend met de dijk gelegen aan de molen van Poortugaal en de Zweerdijkse dijk.
In 1457 leenman-getuige.
1 jul 1461 voogd over de kinderen van zijn zuster Ariaentge, als zijn zoon Doen wordt beleend.
Leenman van de heer van Putten, hij volgt zijn vader in diens leengoederen op; schepen van Poortugaal 1458 [bron: Cartularium van het karthuizer klooster Nieuwlicht akte 47 v] en 1462 [bron: Leenkamer Holland akte 83/5], in welk jaar hij een tiende aldaar in pacht houdt [bron:Archief van de besturen van de domeinen akte 747/A].
Nam op 8.12.1455 twee droge dijken te Poortugaal in leen, namelijk de latere Kruisdijk en de dijk langs de korenmolen. Van 1459 tot en met 1469 betaalde hij jaarlijks 1 kapoen voor de Thomashofstede, een boerderij tegen de binnenkant van de dijk. Van 1459 tot en met 1462 pachtte hij de staalvisserij te Battenoert en van 1466 tot en met 1468 de potinge in die Roden als rietbroek en visserij.
Hij vestigt zijn memorie op 5 gemet land te Nieuw Rhoon [bron: Register van memorie stichtingen in de kerk te Poortugaal akte 105], te versterven op zijn zoon Doen Beyenszn. Deze werd na de dood van zijn vader op 28.1.1485 beleend met diens lenen. Hij was gehuwd met Lijsbeth N, geboren rond 1413 (?), overleden op 17 december 1485. zij vestigt na het overlijden van haar man, samen met Cornelis, haar zoon, een wekelijkse mis op zes gemet land. )
Ook vermelding van alle kinderen.

tr.
met

Lijsbeth 1, geb. in 1413, ovl. op 17 dec 1485, onb.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Doen*1442 Poortugaal †1515 Poortugaal 73



Bronnen:
1.Prometheus Kwartierstatenboek (Deel XVII), Delft, 2001 (blz. 112)
2.Prometheus Kwartierstatenboek (Deel XVII), Delft, 2001 (blz. 321)


Aeskin
Haaske (Aeskin) .

tr.
met

Beyen Doensz van Driel (Doedijnsz)1, zn. van Doen Beyensz de jonge van Driel en Neeltje Wollebrant Jansdr, geb. Poortugaal circa 1462, heemraad van Poortugaal in 1538, ovl. tussen 1549 en 1556, tr. (1) met Maritje Claasse Droogendijck. Uit dit huwelijk 2 kinderen.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Commer  †1565   



Bronnen:
1.Prometheus Kwartierstatenboek (Deel XVI), Deel XVI (blz. 333)


Lijsbeth
Lijsbeth 1, geb. in 1413, ovl. op 17 dec 1485, onb.

tr.
met

Beije Doensz van Driel1, zn. van Doen Beyensz (mede bedijker van het oudeland van strijen(1436)) en Margriet Hendricks Drogendijck, geb. Poortugaal in 1406, schepen van Poortugaal in 1458 en 1463, ovl. Poortugaal op 18 jan 1484,
, beleend op 11-9-1452 met het leenland van zijn vader, in 1454-1455 leenmangetuige voor de Heer van Putten, op 8-12-1455 beleend net de dijk gelegen aan de molen van Poortugaal en de Zweerdijksedijk, in 1457 leenmangetuige, en 10-10-1458 vermeld als schepen van Poortugaal, 1-7-1461 voogd over de kinderen van zijn zuster Ariaentge, pacht in 1462 een tiende gelegen tot Poortugaal, in 1464 wordt Wouter Pietersz. zijn zwager (= schoonzoon) genoemd, zegelt 1-5-1465 voor zijn neef Olaert Hendricksz, schepen van Poortugaal, vestigt samen met zijn (oudste) zoon Aert Beyensz. een memorie op 2 gemet land.
Leenman van Putten(1455-1485), schepen van Poortugaal(1458-1462), stichter van een memorie te Nieuw Rhoon. Neef van Olaert HENRICKSZ. Ons Voorgeslacht 1972 bldz.143, Ons Voorgeslacht 1972 bldz.142, Hollandse Studieën 3 bldz.105. In 1457 leenmangetuige en op 10 Okt 1458 vermeld als schepen van Poortugaal. In 1454-1455 leenmangetuige voor de heer van Putten. Beleend op 11 Sep 1452 met het leenland van zijn vader. Neemt op 8 Dec 1455 twee droge dijken te Poortugaal in leen, nl. de latere Kruisdijk en de dijk gelegen langs de korenmolen, die achter de dijk van Albrantswaard zijn komen te liggen. Juist ten noorden van de plaats, waar de beide lenen elkaar ontmoeten, ligt een boerderij tegen de binnenkant van de dijk op de dijkzate, waarvoor jaarlijks één kapoen moet worden betaald. Deze betaling geschiedt van 1459 tot 1469 door hem, de boerderij wordt dan nog naar een vorige eigenaar de Thomashofstede genoemd. In deze periode is hij 32sc. 6d. aan jaarlijkse accijns verschuldigd voor 4 gemet 1 lijn land bij de kerk en 3 pond hollands voor 7 1/2 gemet land, genaamd de Grote Weyde. Op 1 Jul 1461 voogd over de kinderen van zijn zuster Ariaentge. Pacht in 1462 een tiende gelegen tot Poortugaal. In 1466 wordt Wouter PIETERSZ zijn zwager(=schoonzoon) genoemd. Zegelt op 1 Mei 1465 voor zijn neef Olaert HENDRICKSZ. Vestigt samen met zijn oudste zoon Aert BEIJENSZ een memorie op 2 gemet land in ver Nellenhouck, te versterven op zijn zoon Doen. Deze laatste wordt na de dood van zijn vader op 8 Jan 1485 beleend met diens lenen. Van 1459 tot 1465 betaalt hij 18sc. hollands voor de quade 6 gemet. Van 1461 tot 1465 pacht hij de droge dijk tussen het Oostdorp en de Driendijk, de plaats waar zijn leendijken bij de boerderij beginnen, tegen 2 pond 16 1/2, in 1466 tegen 20sc. In 1461 pacht hij tienden van Waddenswaert tegen 7 pond 10 1/2 sc. en in 1465 die voor het dorp tegen 10sc. en de lammertiende tegen 4 pond 1sc. Van 1459 tot 1462 pacht hij samen met Jan MATTENSZ de staalvisserij van Battenoert tegen 37 pond hollands en van 1466 tot 1468 de potinge in die Roden als rietbroek en visserij tegen 5 1/2 pond. De zwaandrift in Poortugaal pacht hij van 1466 tot 1468 tegen 2 pond 5sc. en in 1469 tegen 2 pond. Hij houdt van 1466 tot 1469 2 gemet land aan de Puddikepoelseweg tegen 28sc. samen met Claisz GOUT en Wouter PETERSZ het grootste deel van het land te Poortugaal van het klooster Nieuwlicht in pacht tegen 283 rijnsguldens 9 st.
=========
Beijen Doenszn. Overl. voor, 28 januari 1485.
Leenman van Putten, hij volgt zijn vader in diens leengoederen op, schepen van Poortugaal 1458 (bron: Cartularium van het karthuizer klooster Nieuwlicht akte: 47 V) en 1462 (bron: Leenkamer Holland akte: 83/5), in welk jaar hij een tiende aldaar in pacht houdt (bron: Archief van de besturen van de domeinen akte: 747/A). Nam op 8 december 1455 twee droge dijken te Poortugaal in leen, namelijk de latere Kruisdijk en de dijk langs de korenmolen. Van 1459 tot en met 1469 betaalde hij jaarlijks 1 kapoen voor de Thomashofstede, een boerderij tegen de binnenkant van de dijk. Van 1459 tot en met 1462 pachtte hij de staalvisserij te Battenoert en van 1466 tot en met 1468 de potinge in die Roden als rietbroek en visserij. Hij vestigt zijn memorie op 5 gemet land te Nieuw Rhoon (bron: Register van memorie stichtingen in de kerk te Poortugaal akte: 105), te versterven op zijn zoon Doen Beyenszn. Deze werd na de dood van zijn vader op 28 januari 1485 beleend met diens lenen.
Rel.
36769 Lijsbeth N.N. Overl. 17 december 1485.
Zet enige memorie met haar zoon Cornelis Beijenszn. op 6 gemet land liggende in Pernis.
==========
Leenman van Putten(1455-1485), schepen van Poortugaal(1458-1462), stichter van een memorie te Nieuw Rhoon. Neef van Olaert HENRICKSZ. Ons Voorgeslacht 1972 bldz.143, Ons Voorgeslacht 1972 bldz.142, Hollandse Studieën 3 bldz.105. In 1457 leenmangetuige en op 10 Okt 1458 vermeld als schepen van Poortugaal. In 1454-1455 leenmangetuige voor de heer van Putten. Beleend op 11 Sep 1452 met het leenland van zijn vader. Neemt op 8 Dec 1455 twee droge dijken te Poortugaal in leen, nl. de latere Kruisdijk en de dijk gelegen langs de korenmolen, die achter de dijk van Albrantswaard zijn komen te liggen. Juist ten noorden van de plaats, waar de beide lenen elkaar ontmoeten, ligt een boerderij tegen de binnenkant van de dijk op de dijkzate, waarvoor jaarlijks één kapoen moet worden betaald. Deze betaling geschiedt van 1459 tot 1469 door hem, de boerderij wordt dan nog naar een vorige eigenaar de Thomashofstede genoemd. In deze periode is hij 32sc. 6d. aan jaarlijkse accijns verschuldigd voor 4 gemet 1 lijn land bij de kerk en 3 pond hollands voor 7 1/2 gemet land, genaamd de Grote Weyde. Op 1 Jul 1461 voogd over de kinderen van zijn zuster Ariaentge. Pacht in 1462 een tiende gelegen tot Poortugaal. In 1466 wordt Wouter PIETERSZ zijn zwager(=schoonzoon) genoemd. Zegelt op 1 Mei 1465 voor zijn neef Olaert HENDRICKSZ. Vestigt samen met zijn oudste zoon Aert BEIJENSZ een memorie op 2 gemet land in ver Nellenhouck, te versterven op zijn zoon Doen. Deze laatste wordt na de dood van zijn vader op 8 Jan 1485 beleend met diens lenen. Van 1459 tot 1465 betaalt hij 18sc. hollands voor de quade 6 gemet. Van 1461 tot 1465 pacht hij de droge dijk tussen het Oostdorp en de Driendijk, de plaats waar zijn leendijken bij de boerderij beginnen, tegen 2 pond 16 1/2, in 1466 tegen 20sc. In 1461 pacht hij tienden van Waddenswaert tegen 7 pond 10 1/2 sc. en in 1465 die voor het dorp tegen 10sc. en de lammertiende tegen 4 pond 1sc. Van 1459 tot 1462 pacht hij samen met Jan MATTENSZ de staalvisserij van Battenoert tegen 37 pond hollands en van 1466 tot 1468 de potinge in die Roden als rietbroek en visserij tegen 5 1/2 pond. De zwaandrift in Poortugaal pacht hij van 1466 tot 1468 tegen 2 pond 5sc. en in 1469 tegen 2 pond. Hij houdt van 1466 tot 1469 2 gemet land aan de Puddikepoelseweg tegen 28sc. samen met Claisz GOUT en Wouter PETERSZ het grootste deel van het land te Poortugaal van het klooster Nieuwlicht in pacht tegen 283 rijnsguldens 9 st.
=========
Beijen Doenszn. Overl. voor, 28 januari 1485.
Leenman van Putten, hij volgt zijn vader in diens leengoederen op, schepen van Poortugaal 1458 (bron: Cartularium van het karthuizer klooster Nieuwlicht akte: 47 V) en 1462 (bron: Leenkamer Holland akte: 83/5), in welk jaar hij een tiende aldaar in pacht houdt (bron: Archief van de besturen van de domeinen akte: 747/A). Nam op 8 december 1455 twee droge dijken te Poortugaal in leen, namelijk de latere Kruisdijk en de dijk langs de korenmolen. Van 1459 tot en met 1469 betaalde hij jaarlijks 1 kapoen voor de Thomashofstede, een boerderij tegen de binnenkant van de dijk. Van 1459 tot en met 1462 pachtte hij de staalvisserij te Battenoert en van 1466 tot en met 1468 de potinge in die Roden als rietbroek en visserij. Hij vestigt zijn memorie op 5 gemet land te Nieuw Rhoon (bron: Register van memorie stichtingen in de kerk te Poortugaal akte: 105), te versterven op zijn zoon Doen Beyenszn. Deze werd na de dood van zijn vader op 28 januari 1485 beleend met diens lenen.
Rel.
36769 Lijsbeth N.N. Overl. 17 december 1485.
Zet enige memorie met haar zoon Cornelis Beijenszn. op 6 gemet land liggende in Pernis.
==========
Beleend op 11-9-1452 met het leengoed van zijn vader (Ons Voorgeslacht, juni 1972, repertorium op de lenen van Putten, leen 63 en 64)
In 1454 en 1455 leenmangetuige voor de Heer van Putten (Archief Heren vanPutten, inv. nr. 67, fol. 11v-12v, 14, 15, 15v-16, 16, 16v-17.)
Op 8-12-1455 beleend met de dijk gelegen aan de molen van Poortugaal en de Zweerdijkse dijk (Archief Heren van Putten fol. 20)
In 1457 leenmangetuige (Archief Heren van Putten fol. 143v-144v.)
Op 10-10-1458 vermeld als schepen van Poortugaal (Ons Voorgeslacht nr. 98Klooster Nieuwlicht bij Utrecht, cartularium fol. 47v.)
Op 1-7-1461 voogd over de kinderen van zijn zuster Ariaentge Doen
Beyensdr. (G.A. Rotterdam, weeskamer inv. nr. 577. fol. 66-67, resp. inv.nr. 578, fol. 63-66v)
Pacht in 1462 een tiende gelegen tot Poortugaal (HLK inv. nr. 83, fol.
5-6r)
in 1464 wordt Wouter Pietersz. zijn zwager (=schoonzoon) genoemd (Archief Besturen van de Domeinen, inv. nr. 747a)
Zegelt 1-5-1465 voor zijn neef Olaert Hendricksz, schepen van Poortugaal (Ons Voorgeslacht nr. 98, Klooster Nieuwlicht bij Utrecht, cartularium, fol. 47v)
Vestigd samen met zijn (oudste) zoon Aert Beyensz. een memorie op 2 gemet land "Memoria parpetua (=eeuwige memorie) van Beye Doensz. ende Aert Beyensz.
zijn zoon staet op 2 gemeeten lants geleegen in Vernellenhouck; ende staet Doen Beyensz. van hem te coemen opte outste ende naeste die van Beye voornoemt gecoemen is." (de Blaffaard van de Memorielanden van Poortugaaldoor J.L. van de Gouw in Hollandse Studien nr. 3, 1972, memorie 105)
Fundatie van wekelijkse memories (= de vicarie) op Beye Doensz. "Item soo heeft Beye Doensz. gefondeert een eeuwige misse ter weecke te leesen binnen de kercke van Poortugael des vrijdaechs de Santa Cruce. Ende staet verseeckert op 5 gemeeten lants leggende in Nieuw Roon, aengelant de Memoristen van Delft aen de zuytzijde ende staet opten outsten ende naesten die van Beye Doensz. voorseyt gecoemen is" (de Blaffaard van de Memorielanden van Poortugaal door J.L. van der Gouw in Hollandse Studien nr. 3, 1972, memorie 141)
Overleden voor 28-1-1485 als zijn zoon Doen Beyensz. wordt beleend. (Ons Voorgeslacht juni 1972, repertorium op de lenen van Putten)
Beye was gehuwd met Lijsbeth N.N.
Vestigt na het overlijden van haar man met haar zoon Cornelis Beyensz,
een wekelijkse mis op 6 gemet land. "Lijsbet Beye Doensz. weduwe heeft geset haer eewige memorie met Cornelis Beyensz. haer soon mit een misse te weecke op 6 gemeeten lants leggende bij Arien Dirxz. in Pernis; Ende dese memorie sal men altijt doen op Sinte Michielsdag (= 29 september) ende sal doen Doen Beyensz. haer soon. (in de marge) Deze memorie is affgecoft aen de Heyligen Geest van Poortugael bij Doen Willemsz. ende meester Pieter Cornelisz." (de Blaffaard van de Memorielanden van Poortugaal door J.L. van de Gouw in Hollandse Studien nr. 3, 1972, memorie 82)
Beleend op 11 sep 1452 met het leenland van zijn vader.
In 1454-1455 leenman-getuige voor de Heer van Putten.
Op 8 dec 1455 beleend met de dijk gelegen aan de molen van Poortugaal en de Zweerdijkse dijk.
In 1457 leenman-getuige.
1 jul 1461 voogd over de kinderen van zijn zuster Ariaentge, als zijn zoon Doen wordt beleend.
Leenman van de heer van Putten, hij volgt zijn vader in diens leengoederen op; schepen van Poortugaal 1458 [bron: Cartularium van het karthuizer klooster Nieuwlicht akte 47 v] en 1462 [bron: Leenkamer Holland akte 83/5], in welk jaar hij een tiende aldaar in pacht houdt [bron:Archief van de besturen van de domeinen akte 747/A].
Nam op 8.12.1455 twee droge dijken te Poortugaal in leen, namelijk de latere Kruisdijk en de dijk langs de korenmolen. Van 1459 tot en met 1469 betaalde hij jaarlijks 1 kapoen voor de Thomashofstede, een boerderij tegen de binnenkant van de dijk. Van 1459 tot en met 1462 pachtte hij de staalvisserij te Battenoert en van 1466 tot en met 1468 de potinge in die Roden als rietbroek en visserij.
Hij vestigt zijn memorie op 5 gemet land te Nieuw Rhoon [bron: Register van memorie stichtingen in de kerk te Poortugaal akte 105], te versterven op zijn zoon Doen Beyenszn. Deze werd na de dood van zijn vader op 28.1.1485 beleend met diens lenen. Hij was gehuwd met Lijsbeth N, geboren rond 1413 (?), overleden op 17 december 1485. zij vestigt na het overlijden van haar man, samen met Cornelis, haar zoon, een wekelijkse mis op zes gemet land. )
Ook vermelding van alle kinderen.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Doen*1442 Poortugaal †1515 Poortugaal 73



Bronnen:
1.Prometheus Kwartierstatenboek (Deel XVII), Delft, 2001 (blz. 112)


Doen Beyensz
Doen Beyensz1, geb. Poortugaal circa 1376, mede bedijker van het oudeland van strijen(1436), ovl. Poortugaal voor 11 sep 1452,
, beleend met 2 gemet land na opdracht uit eigen op 1-4-1429, in 1432-1434 leenmangetuige voor de Heer van Putten, in 1436 medebédijker van het Oudeland van Strijen, heeft land gemeen met Gheen Jansz. en diens zwager Simon Bartoutsz. op 10-5-1442, 1445 twee maal vermeld als leenmangetuige als belender genoemd in de blaffaard van de memorielanden, vestigt zijn memorie op 2 gemet land, overleden voor 11-9-1452 als zijn zoon beleend wordt met het leenland; 1gemet = Putse maat = 3 lijn of 3 hont = 0,4949 ha
Leenman van Putten(1429-1452). Referenties: Ons Voorgeslacht 1972 bldz.143, De Nederlandsche Leeuw 1946 kol.134, Ons Voorgeslacht 1976 bldz.315, Ons Voorgeslacht 1980 bldz.649. Op 11 Sep 1452 wordt zijn zoon Beije DOENSZ beleend met het leenland van zijn vader. Zijn zoon Antheunis DOENSZ volgt zijn vader Doedijn BEIJENSZ op op 7 Jan 1444. Belend met 2 gemet land na opdracht uit eigen beleend met 2 gemet land te Poortugaal aan de Hofweg op 1 Apr 1429, belend ten zuiden door Beijen LEMSZ. In 1432 tot 1434 leenmangetuige voor de Heer van Putten.
Op 12 Mrt 1436 medebedijker van Het Oudeland van Strijen. Heeft land gemeen met Gheen JANSZ en diens zwager Simon BARTOUTSZ op 10 Mei 1442. Hij vestigt zijn memorie op 2 gemet land in ver Nellenhouck, te versterven op zijn zoon Beije DOENSZ. In 1445 tweemaal vermeld als leenmangetuige. Als belender genoemd in de blaffaard van de memorielanden.
Doen Beijenszn. Overl. voor, 11 september 1452.
Beleend met 2 gemet land na opdracht uit eigen op 1 april 1429.
Wordt in 1434 door de heer van Putten genoemd onder "onsen mannen van 't land van Putte" (=leenman, Rhoon en Poortugaal en omgeving behoorden tot de heerlijkheid van Putten), [bron: Leenkamer Holland akte 85/5V].
Hij maakte deel uit van een consortium dat in 1436 kort na de St. Elisabethsvloed, de bedijking van het Oudeland van Strijen op zich nam [bron: Leenkamer Holland akte: 83].
Op 1 december 1445 komt hij voor als leenman-getuige. Hij vestigt zijn memorie op 2 gemet land in Vernelle hoeck, te versterven op zijn zoon Beye Doenszn.
Zijn eerste vrouw Margriet N.N. Overl. circa 1446.
Vestigt haar memorie op 4 lijn land achter de kerk te Poortugaal (bron: register van memorie stichtingen in de kerk te Poortugaal akte: 46).
Omstreeks 1450 sticht zijn tweede vrouw haar memorie op 2 1/2 lijn land in Zwaardijk onder het huis van haar man gelegen [bron: Register van memorie stichtingen in de kerk te Poortugaal akte: 88]. Deze boerderij wordt in de domeinrekeningen als Thomashofstede aangeduid, vermoedelijk heeft hij zich hier omstreeks 1430 gevestigd.

tr.
met

Margriet Hendricks Drogendijck1, dr. van Heyndrick Kerstensz Drogendijck en Suetkin , geb. in 1386, ovl. in 1446,
, zij vestigt haar memorie in de kerk van Poortugaal, op 4 lijn land.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Beije*1406 Poortugaal †1484 Poortugaal 78



Bronnen:
1.Prometheus Kwartierstatenboek (Deel XVII), Delft, 2001 (blz. 321)
2.Prometheus Kwartierstatenboek (Deel XVII), Delft, 2001 (blz. 322)


Margriet Hendricks Drogendijck
Margriet Hendricks Drogendijck1, geb. in 1386, ovl. in 1446,
, zij vestigt haar memorie in de kerk van Poortugaal, op 4 lijn land.

tr.
met

Doen Beyensz1, zn. van Beye Beyensz en Lijsbeth , geb. Poortugaal circa 1376, mede bedijker van het oudeland van strijen(1436), ovl. Poortugaal voor 11 sep 1452,
, beleend met 2 gemet land na opdracht uit eigen op 1-4-1429, in 1432-1434 leenmangetuige voor de Heer van Putten, in 1436 medebédijker van het Oudeland van Strijen, heeft land gemeen met Gheen Jansz. en diens zwager Simon Bartoutsz. op 10-5-1442, 1445 twee maal vermeld als leenmangetuige als belender genoemd in de blaffaard van de memorielanden, vestigt zijn memorie op 2 gemet land, overleden voor 11-9-1452 als zijn zoon beleend wordt met het leenland; 1gemet = Putse maat = 3 lijn of 3 hont = 0,4949 ha
Leenman van Putten(1429-1452). Referenties: Ons Voorgeslacht 1972 bldz.143, De Nederlandsche Leeuw 1946 kol.134, Ons Voorgeslacht 1976 bldz.315, Ons Voorgeslacht 1980 bldz.649. Op 11 Sep 1452 wordt zijn zoon Beije DOENSZ beleend met het leenland van zijn vader. Zijn zoon Antheunis DOENSZ volgt zijn vader Doedijn BEIJENSZ op op 7 Jan 1444. Belend met 2 gemet land na opdracht uit eigen beleend met 2 gemet land te Poortugaal aan de Hofweg op 1 Apr 1429, belend ten zuiden door Beijen LEMSZ. In 1432 tot 1434 leenmangetuige voor de Heer van Putten.
Op 12 Mrt 1436 medebedijker van Het Oudeland van Strijen. Heeft land gemeen met Gheen JANSZ en diens zwager Simon BARTOUTSZ op 10 Mei 1442. Hij vestigt zijn memorie op 2 gemet land in ver Nellenhouck, te versterven op zijn zoon Beije DOENSZ. In 1445 tweemaal vermeld als leenmangetuige. Als belender genoemd in de blaffaard van de memorielanden.
Doen Beijenszn. Overl. voor, 11 september 1452.
Beleend met 2 gemet land na opdracht uit eigen op 1 april 1429.
Wordt in 1434 door de heer van Putten genoemd onder "onsen mannen van 't land van Putte" (=leenman, Rhoon en Poortugaal en omgeving behoorden tot de heerlijkheid van Putten), [bron: Leenkamer Holland akte 85/5V].
Hij maakte deel uit van een consortium dat in 1436 kort na de St. Elisabethsvloed, de bedijking van het Oudeland van Strijen op zich nam [bron: Leenkamer Holland akte: 83].
Op 1 december 1445 komt hij voor als leenman-getuige. Hij vestigt zijn memorie op 2 gemet land in Vernelle hoeck, te versterven op zijn zoon Beye Doenszn.
Zijn eerste vrouw Margriet N.N. Overl. circa 1446.
Vestigt haar memorie op 4 lijn land achter de kerk te Poortugaal (bron: register van memorie stichtingen in de kerk te Poortugaal akte: 46).
Omstreeks 1450 sticht zijn tweede vrouw haar memorie op 2 1/2 lijn land in Zwaardijk onder het huis van haar man gelegen [bron: Register van memorie stichtingen in de kerk te Poortugaal akte: 88]. Deze boerderij wordt in de domeinrekeningen als Thomashofstede aangeduid, vermoedelijk heeft hij zich hier omstreeks 1430 gevestigd.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Beije*1406 Poortugaal †1484 Poortugaal 78



Bronnen:
1.Prometheus Kwartierstatenboek (Deel XVII), Delft, 2001 (blz. 321)


Beye Beyensz
Beye Beyensz1, geb. Poortugaal circa 1344, ovl. Poortugaal voor 1408,
, pacht de strook grond langs de dijk tussen Poortugaal en Deyffel in 1395 en 1396.

tr.
met

Lijsbeth 1, geb. Poortugaal in 1354.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Doen*1376 Poortugaal †1452 Poortugaal 76



Bronnen:
1.Prometheus Kwartierstatenboek (Deel XVII), Delft, 2001 (blz. 322)
2.Prometheus Kwartierstatenboek (Deel XVII), Delft, 2001 (blz. 323)


Lijsbeth
Lijsbeth 1, geb. Poortugaal in 1354.

tr.
met

Beye Beyensz1, zn. van Beye Rutgersz van Doens en Lijsbeth , geb. Poortugaal circa 1344, ovl. Poortugaal voor 1408,
, pacht de strook grond langs de dijk tussen Poortugaal en Deyffel in 1395 en 1396.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Doen*1376 Poortugaal †1452 Poortugaal 76



Bronnen:
1.Prometheus Kwartierstatenboek (Deel XVII), Delft, 2001 (blz. 322)


Maritge
Maritge .

tr.
met

Commer Beyensz1, zn. van Beyen Doensz van Driel (heemraad van Poortugaal in 1538) en Haaske (Aeskin) , ovl. voor 9 jul 1565.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Cornelis*1540 Hoogvliet †1612  72



Bronnen:
1.Prometheus Kwartierstatenboek (Deel XVI), Deel XVI (blz. 327)


Walburg van Cuyck van Meteren
Walburg van Cuyck van Meteren.

tr.
met

Otto van Haeften, zn. van Johan van Haeften en Diederika/Theodora van Immerseel, ovl. in 1555


Dietrich von Sayn Hachenburg
Dietrich graaf von Sayn Hachenburg, geb. op 2 aug 1415, ovl. op 2 aug 1452.

tr. op 24 mei 1467
met

Margaretha van Nassau-Dillenburg, dr. van Engelbert I graaf van Nassau (graaf van Nassau, Dietz en Vianden, heer van Breda, de Lek, enz.) en Johanna van Polanen (erfdochter van Breda), geb. circa 1415, ovl. op 27 mei 1467


Philipp III van Falkenstein
Philipp III van Falkenstein, geb. voor 1287, ovl. na 2 apr 1322,
, Unterkämmerer, zu Lich, 1300 Herr zu Münzenberg, 1304 der Ältere, 1305 Herr zu Falkenstein, 1317 Stifter von St.Marien zu Lich, bei EStT stammen alle Kinder aus der von Möller nichterwähnten 2.Eh.

tr.
met

Lucarda (Luckard) von Isenburg-Büdingen, ovl. na 1306.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Kuno II*1324  †1333  9


Luckard von Isenburg-Büdingen
Lucarda (Luckard) von Isenburg-Büdingen, ovl. na 1306.

tr.
met

Philipp III van Falkenstein, zn. van Wemmer van Falkenstein en Mechteld van Diez, geb. voor 1287, ovl. na 2 apr 1322,
, Unterkämmerer, zu Lich, 1300 Herr zu Münzenberg, 1304 der Ältere, 1305 Herr zu Falkenstein, 1317 Stifter von St.Marien zu Lich, bei EStT stammen alle Kinder aus der von Möller nichterwähnten 2.Eh.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Kuno II*1324  †1333  9


Kuno II van Falkenstein-Nolanden
Kuno II van Falkenstein-Nolanden, geb. voor 1324, ovl. op 14 mei 1333.

tr. voor 1312
met

Anna van Nassau-Hadamar, dr. van Emico van Nassau-Hadamar en Anna Hohenzollern-Nürnberg, geb. circa 1300, ovl. voor 1329


Anna van Nassau-Hadamar
Anna van Nassau-Hadamar, geb. circa 1300, ovl. voor 1329.

tr. voor 1312
met

Kuno II van Falkenstein-Nolanden, zn. van Philipp III van Falkenstein en Lucarda (Luckard) von Isenburg-Büdingen, geb. voor 1324, ovl. op 14 mei 1333


Anna Hohenzollern-Nürnberg
Anna Hohenzollern-Nürnberg, geb. circa 1282, ovl. tussen 19 okt 1355 en 19 okt 1357 ,
, 28.8.1295 Verlobung, begr. Chor der Barfüßerklosterkirche zu Nürnberg.

tr.
met

Emico van Nassau-Hadamar, zn. van Otto I graaf van Nassau (graaf van Nassau) en Agnes gravin van Leiningen (gravin), geb. circa 1270, ovl. op 7 jun 1334.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Anna*1300  †1329  29


Elisabeth van Andechs-Méran
Elisabeth van Andechs-Méran, ovl. voor 18 dec 1273.

tr.
met

Friedrich III van Hohenzollern burggraaf van Nürnberg, geb. in 1220, ovl. Kadolzburg [Duitsland] op 14 aug 1297, tr. (2) met Helene van Saksen. Uit dit huwelijk een dochter


Friedrich III van Hohenzollern burggraaf van Nürnberg
Friedrich III van Hohenzollern burggraaf van Nürnberg, geb. in 1220, ovl. Kadolzburg [Duitsland] op 14 aug 1297.

tr. (1)
met

Elisabeth van Andechs-Méran, dr. van Otto I 'de Grote' hertog van Méran en Beatrix van Hohenstaufen gravin van Bourgondië (Erbin der Pfalzgrafschaft), ovl. voor 18 dec 1273.

tr. (2)
met

Helene van Saksen, ovl. op 12 jun 1309, begr. Chor der Barfüßerklosterkirche zu Nürnberg.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Anna*1282  †1355  73


Helene van Saksen
Helene van Saksen, ovl. op 12 jun 1309, begr. Chor der Barfüßerklosterkirche zu Nürnberg.

tr.
met

Friedrich III van Hohenzollern burggraaf van Nürnberg, geb. in 1220, ovl. Kadolzburg [Duitsland] op 14 aug 1297, tr. (1) met Elisabeth van Andechs-Méran. Uit dit huwelijk geen kinderen.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Anna*1282  †1355  73


Wouter II van Dendermonde
Wouter II van Dendermonde, ovl. voor 1194.

tr.
met

Adelize (Adelvia) van Buischere (van Edingen), vermeld 1195-1212, ovl. in 1212,
, In een ongedateerde oorkonde tussen 1176-1194 van genoemde Adelize, zegelt haar zoon Bertold vóór Daniel zoon van Wouter van Dendermonde. Bertold wordt later meer volledig Wouter Berthout genoemd en gaat zich vanaf 1206 (na de dood van stiefvader) Gerard (IV) van Grimbergen noemen, geen kinderen, tr. (1) met Gerard III van Grimbergen. Uit dit huwelijk een zoon.

Uit dit huwelijk 2 dochters:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Mathilde     
Margaretha     


Wouter I van Dendermonde
Wouter I van Dendermonde, ovl. in 1173.

een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Wouter II  †1194