Cees Hagenbeek
Sara Putman
Sara Putman, ged. Delden op 26 jan 1652.

tr. op 31 dec 1671
met

ds Joachim Liens, zn. van Joachim Liens en NN Schutte, geb. Zwolle tussen 1635 en 1636, predikant te Vriezenveen, ovl. Vriezenveen op 31 dec 1696.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Joachim*1665 Tholen †1721  56


Rutger Putman
Rutger Putman, geb. Goor in 1611, ovl. Delden op 13 mrt 1674.

tr. Delden op 23 apr 1643
met

Janna van den Berg, dr. van Paul (Pauwel) van den Berg en Johanna Logier, geb. Amsterdam in 1621.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Sara~1652 Delden    


Marijke Huijgen Cranendonck
Marijke Huijgen (Maerijke Huijgsdr) Cranendonck (Cranendonck, van), geb. IJsselmonde circa 1580, ovl. Oost-IJsselmonde op 20 mrt 1637.

tr. Barendrecht circa 1604
met

Jan Jansz de jonge in 't Veld, zn. van Jan de oude in 't Veld en Niesje Cranendonck, geb. Oost-IJsselmonde in 1565, landbouwer, penningmeester van Dirk Smeetsland, Landbouwer, ovl. Oost-IJsselmonde op 2 jan 1618.

Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Lijntje~1616 IJsselmonde †1666 Ridderkerk 50



Bronnen:
1.Nederlands Patriciaat (NP 002), van 1937 tot 1997
2.Ons Voorgeslacht (OV 006), Schrijver: 196 (blz. 345)

Jan Jansz in 't Velt
Jan Jansz in 't Velt, geb. IJsselmonde circa 1555, ovl. aldaar op 1 feb 1618.

tr. Barendregt in 1604
met

Niesje Huijgensdr Cranendonck, dr. van Huijg Pieters Cranendonck (bouwman, hoogheemraad, ouderling) en Margrieta Gerrits (landbouwster), geb. IJsselmonde circa 1585, ovl. Barendrecht op 3 dec 1628 (1662).

Niesje Huijgensdr Cranendonck.
Niesje is de voormoeder van een geslacht Cranendonck/Bootser/Jongendijckgraeff/Nieuwenboer.


Hendrick Aerts van Driel
Hendrick Aerts van Driel1, geb. Barendregt (Berkel) circa 1486, hoogheemraad 1526-1532, dijkgraaf 1533-1551 van West IJsselmonde, ovl. Barendregt (Berkel) op 21 apr 1551 (21 apr 1521).

Hendrick Aerts van Driel.
Hendrick Aertsz, geboren ca.1486 (oud 63 jaar in 1549), overleden tussen 21 april 1551 en 1 juli 1552. Hendrick Aertsz. woonde aan de Hordijk onder Barendrecht en was eigenaar en/of gebruiker van land onder Barendrecht, Oost-IJsselmonde, Ridderkerken Charlois. Hij was hoogheemraad (1526-1532) en dijkgraaf (1533-1551) van de vier polders van West-IJsselmonde en van de polder Smeetsland onder IJsselmonde. Bovendien was hij heemraad van Oost-Barendrecht (1549).
Op 25 mei 1549 verklaarde Henrick Aertsz. wonende in het ambacht van Oost-Barendrecht, "oud omtrent LXIIJ Jaeren", dat "wijlen Pieter Dircxz. wonende in het Oestambocht van IJsselmonde sijne huijsvrouwe vader sterff onlanx naede laetstegroote Innudatie / te weten Int begunsel vanden Jaere XXXIIJ lestleden".
Na het overlijden van Pieter Dircksz. waren enige poorters van Delft naar IJsselmonde gekomen, om zekere 9 morgen lands te "aenvaerden ende verhuijren" die door Pieter Dircxz. waren achtergelaten. Hieruit was een kwestie ontstaan voor het gerecht van Dordrecht, omdat Henrick Aertsz. en de andere erfgenamen een brief hadden "die zij in tsterfhuijs van Pieter Dircxz. voors. gevonden hadden / dat de voors. van Delft geen eijgendom aen tvoors. landt en had een dan had een alleenlick daer op een losrente van XV Karolus guldens tsiaers". Zodoende "triumpheerden" zijn in hun zaak voor het gerecht van Dordrecht en moesten die .
van Delft tevreden zijn met de ontvangst van de hoofdsom en de renten. Zodoende "bleef midtsdijen tvoors. landt anden erfgenamen van Pieter Dircksz. voors. daert alsnoch aen is". Interessant is het vervolg van de verklaring van Henrick Aertsz, waarin hij zegt, dat "hij deposant die altijt van jongs op gewoent heeft int Oestambacht van IJsselmonde ofte in Oestbarendrecht voors. ende dicwils heemraet geweest is int Westambocht van IJsselmonde voors. als hij noch is/ dicwils sijn ouders ende verscheijdene andere luijden hoeren seggen (...) dat hier voortijts een manier van doen ofte gewoente plach te sijn int Westambocht van  IJsselmonde ende daer ontrent dat als ijemandt renten op sijn landt hebben wilde hij den eijgendom van tselfde landt tot behoeff vanden cooper der selver renten over plach te geven / ende de cooper wederom briefven datmen tselfde landt lossen mochte mitten hoeftsomme vanden rente ende tverloop vandien".
Op 19 maart 1533 (voor Pasen, d.i. 1534) ondertekende Heynrick Aertsz, voor de eerste maal als dijkgraaf, de rekening van het Westambacht van IJsselmonde. Deze rekeningen werden jaarlijks te Delft afgesloten en ondertekend, waarbij het tweede deel van de rekeningen de polder Smeetsland betrof: ook dit gedeelte werd jaarlijks getekend door dijkgraaf Heijndrick Aertz. In deze rekeningen kwam in de periode 1533-1551 jaarlijks een post voor waarin "den dijckg(raa)f is tue ghescyrt van dat hij gedient heeft dit jaer voirleden dat gemenelant". Dijkgraaf Heijnrick Aertsz. ondertekende de rekening voor de laatste maal op 21 april 1551 (na Pasen): op 3 maart 1551 (=1552) werd de rekening ondertekend door zijnopvolger Andries Ariensz.
De oudste vermeldingen van Hendrick Aertsz. betreffen vergoedingen die hij ontving van de polder West-IJsselmonde wegens "daghuur": 1508 en 1509 had hij twee dagen voor de polder gewerkt en in 1510 had hij samen met zijn vader Aert Heynricxz. een dag aan de oude sluis gewerkt. Vermoedelijk is opnieuw sprake van ditzelfde sluisje in de polderrekening van Nieuw-Reijerwaard van 1529, waarin het werd aangeduid als het "sluijsken bij Heinrick Aertss.". Vanwege de noodzaak van werkzaamheden aan dezesluis "after Heijnrick Aertss. werd in dat jaar een "vingerling" (tijdelijk dijkje) aangelegd, waarbij Heijnrick Aertss zelf  een vergoeding kreeg "van wageplancken hout plancken daermen die sluijs mede stopte".
In 1539 was opnieuw sprake van de sluis bij Heijnrick Aertsz, vanwege gemaakte kosten om deze sluis te verleggen. Vanaf 1528 werd Hendrick Aertsz, jaarlijks vermeld in de rekeningen van de waarsman van Nieuw-Reijerwaard als huurder van een "werf" aan de Hordijk. Vermoedelijk werd deze werf gebruikt voor de verbouw van hennep, een produkt dat diende voor de vervaardiging van touw en zeildoek.
In 1542 werd "Heynrick Aertsz. anden Hordick" aangeslagen voor een "henipworf". Deze werf was tot 1525 gedurende vele jaren gepacht door zijn vader Aert Hendriksz, en in 1526 en 1527 door diens weduwe. De jaarlijks verschuldigde pachtsom voor deze werf bedroeg 3 gulden: een bedrag dat ongewijzigd bleef vanaf de eerste vermelding in 1486 tot 1540! Voor een andere, soortgelijke werf aan de Hordijk moest 2 gulden per jaar betaald worden, Deze tweede werf werd vanaf 1483 tot 1525 gepacht door Adriaen Heinenz, de oom van Hendrick Aertsz. Vanaf 1526 tot 1533 was een zekere Gheerloff Ghijsbrehtss, de huurder van dit tweede werfje, maar vanaf 1534 betaalde Heijnrick Aertss. de pacht voor beide werven.
Vanaf 1541 werd de pachtsom verdubbeld: in 1541 en 1542 betaalden "Heijnrick Aertss. de pacht voor beide werven. Vanwege een hiaat in de polderrekeningen van Nieuw-Reijerwaard van 1543 tot 1553 is onduidelijk hoe lang sprake is geweest van deze gezamenlijke pacht door vader Hendrick Aertsz. en zoon Jan Hendricksz. Wel is duidelijk dat beiden in deze periode zijn overleden, want in 1533 betaalden ene Wit Lourisz. en "Cornelis Heynricx uuten naem van sijn moeder"(1554: "Heijnrick Aertsz. weduwe") de pacht van "twee worven mit die telinge dair op staende die sij seven jaren verpacht (=gepacht) hebben". Cornelis Hendricksz. de zoon van Hendrick Aertsz. nam in 1559 de werf over, zoals blijkt uit de rekening over dat jaar, waarin Wit Louwen en Cornelis Heijnricxz. worden genoemd als huurders "van twee worven mit die telinge dair op staende die sij thien jaren verpacht hebben / van teerste Xe jaer XXIJ gl.". .
Uit de kohieren van de tiende penning van 1542 en 1543 blijkt dat "Heynrick Aertsz. anden Hordick" in Oost-Barendrecht bruiker was van 16 morgen land, een "hennipworf" en een "stuck uuttergor(s)", het laatste samen met zijn zwager Lenert Pieters. In het kohier van Ridderkerk wordt Heijnrick Aertsz. vermeld onder de "buyten bruyckers wonende buyten den Ambocht van Ridderkerck", als gebruiker van een perceel van 2 norgen 2 hont 72 roeden. Onder Charlois gebruikte Heindrick Aertsz. 3 morgen in "Dirck Smees landt" en nog 10 morgen in "de hilen". Dit behoorlijk uitgebreide grondgebruik werd door Hendrick Aertsz. in de daarop volgende jaren nog vergroot. Op 5 maart 1543 sloot "Heynrick Aertsz. vanden Hordijck" voor schepenen van  Dordrecht een pachtovereenkomst met de eigenaren van 4 morgen 4 hont lands in "Smegeslant" (Smeetsland), voor een termijn van 4 jaar. Op 1 mei 1545 kocht Heynrick Aertsz: "een gerecht vierendeel van vier mergen en sestalf hont lants gelegen in Nyeu Ridderwaert in Cornelis landeken", tussen Crommeweg en Willairts dijkje, gemeen met de "heyligen gheest" ter Nieuwekerk in Dordrecht en met Ariaentgen Adriaensdr. Hoe uitgebreid het landbezit en -gebruik van Hendrick Aertsz is geweest, valt af te leiden uit de kohieren van de 10e penning uit het jaar 1557. Zijn weduwe Lijsbeth werd hierin aangeslagen voor percelen land, gelegen in Oost-Barendrecht (5 morgen), in "Cornelislandeken" (8 morgen) eigen en 3 morgen van de "heylige geest"), in het "buiten nieuwland" van Oost-Barendrecht (4,5 morgen eigen en 2 morgen van anderen), in het "nieuwe Buitenland" van West-Barendrecht (ruim 22 morgen eigen), in de eerste hoef het Oudeland van (Ost-) IJsselmonde (7,5 morgen eigen) in West-IJsselmonde (8,5 morgen eigen en 2 morgen "geestelijk goed") en in het Nieuweland aldaar (ruim 7 morgen eigen). Bovendien had "de we(duwe) van Henrick Aertsz. in Barendrecht met die we(duwe) van Cornelis Pietersz. tot IJsselmont (...) tsaemen een vierendeel" in het Buitenland van West-IJsselmonde, "met die visscherije ende anders hooren ancleeven". Er kan zonder meer gesproken worden over een behoorlijk welvarend boerenbedrijf, dat bovendien voornamelijk op eigen grondbezit berustte. Interessant in deze opsomming is de 7,5 morgen eigen land, die de weduwe van Hendrick Aertsz. bezat in de eerste hoef, groot 15 morgen, gelegen in het Oudeland van IJsselmonde. De andere helft van deze hoef, eveneens 7,5 morgen had een zekere Adriaen Diricxz. in huur van de weduwe van Wouter Schiltman tot Dordrecht. In 1574 werd in deze eerste hoef de ene 7,5 morgen gebruikt door Pieter Pietersz. Cranendonck van Pieter van Driel tot Haarlem, en werd de andere 7,5 morgen gebruikt door de weduwe van Dirck Floerisz. in Smeetsland, die dit deel in eigendom had. Hoewel voor de hand ligt, dat Pieter van Driel behoorde tot de verwanten van Hendrick Aertsz, was dit toch niet het geval! Juist de 7,5 morgen die eigendom waren van de weduwe van Dirck Floerisz. in Smeetsland, waren afkomstig uit de erfenis van de weduwe van Hendrick Aertsz. Het is puur toeval, dat de andere helft van deze hoef eigendom was van deze Pieter (Herrens) van Driel. Dit blijkt uit een transport uit 1562, waarbij Pieter Herrensen de jonge (van Driel) deze 7,5 morgen vrij eigen lands met toebehoren teruggaf "in handen van sijn huijsvrouwen moeder genaempt Janneken Meynertsdochter", weduwe van wijlen Wouter Schilmans totDordrecht. Deze had hem dit land "met hair dochter in huywelick (...) gegeven nae 't uuyt wijsen (van) die huywelixce voorwairt". In 1565 werd Anneken Meijnaertsdr. inderdaad als eigenaresse van het perceel aangeduid, maar in 1574 was Pieter van Driel toch weer eigenaar! Overigens bevatte de boedel van Hendrick Aertsz. niet slechtx baten, maar was er ook sprake van enige schulden. Zo bevatte de boedel van de weeskinderen van Machtelt Cornelisdr. van Crommenye en wijlen Pieter Willemsz. brouwer een rentebrief van 12 Car.gld per jaar, sprekende op Elyzabeth Pietersdr. weduwe van wijlen Hendrick Aerts woonde aan de Hordijk onder Barendrecht en was eigenaar en/of gebruiker van land onder Barendrecht, Oost-IJsselmonde, Ridderkerk en Charlois. Hij was hoogheemraad (1526-1532) en dijkgraaf (1533-1551) van de vier polders van West-IJsselmonde en van de polder Smeetsland onder IJsselmonde. Bovendien was hij heemraad van Oost-Barendrecht (1549).
Heynderick Aertsz. in Oestbarendrecht. Deze Pieter Willemsz. Brouwer, vroedschap van Rotterdam (1534-1553), die eerder gehuwd was geweest met Hillegond Claesdr. was de schoonvader van een andere Van Driel Ingen Cornelisz, brouwer te Rotterdam, eveneens afkomstig uit de omgeving van de Hordijk. Hendrick Aertsz. huwde Lijsbeth Pietersdr, geboren naar schatting rond 1485 te IJsselmonde, overleden na 1574 te Barendrecht. Lijsbeth Pietersdr. was een dochter van Pieter Dircksz, schout van West-IJsselmonde, en N.N. Cornelis van Driel. Deze Pieter Dircxz, wonende aan de Hordijk, werd in 1529 genoemd onder de  "grontheren ende geerffden vander nieuwe dijckagien vande Hille in Charlois", waarin hij voor 1/20 deel gerechtigd was. In 1543 werden als gebruikers of eigenaars van land in de Hillen vermeld: Jan Heindricxz. (2,5 morgen), Lenaert Pietersz. (14 morgen), Aert Heindricxz. (2,5 morgen), Neel Dircx (9 morgen) enHeindrick Aertsz. (10 morgen). Het ligt voor de hand in deze personen de erfgenamen van Pieter Dircksz. te zien: twee zoons (Cornelis Pietersz. alias Neel Dircksz, Lenaert Pietersz.), een schoonzoon en twee kleinzoons (Hendrick Aertsz, gehuwd met Lijsbeth Pieters, en hun zoons Jan en Aert Hendricksz.). Het gegeven dat Lijsbeth Pietersdr. een zuster was van Cornelis Pietersz. alias Neel Dircks te IJsselmonde verklaart waarom zij met diens weduwe Soetje diverse percelen land gemeenschappelijk gebruikte. De kerkmeesters van Ridderkerk ontvingen vanaf 1555 jaarlijks van "Lijsbeth Heynrick Aertsz. wedue en Zuet Cornelis Pietersz. wedue van VIIJ hont lants die sij X jaer verpacht hebben". De twee gezinnen gebruikten ook aangrenzende percelen zoals blijkt uit de jaarlijkse vermeldingen vanaf 1553 in de rekeningen van Nieuw-Reijerwaard: "Ith.ontf.van Cornelis Pietersz. van eenen worf dair hij op woent/ mit dat eynt van Willairtsdijcxken / van 't hecken of bij Heijnrick Aertsz. weduwe / tot Zevenbergen toe". Ook Lenert Pieters. te Barendrecht was een broer van Lijsbeth: behalve uit diverse indirecte aanwijzingen blijkt dit bijvoorbeeld ook uit het gezamenlijk bezit van een uitergors in Oost-Barendrecht in 1543.

tr. in 1510
met

Lijsbeth Pietersdr (Lijsbeth Pieters) van Driel, dr. van Pieter Dircksz van de Hordijk en Niesje Cornelisdr van Driel, geb. IJsselmonde circa 1485, ovl. Barendregt (Berkel) in 1574.

Uit dit huwelijk 6 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Aert*1525 Poortugaal †1596 Poortugaal 71
Dirk*1514 Poortugaal †1585 Poortugaal 70
Jan*1510 IJsselmonde †1565 IJsselmonde 54
Neeltje*1515  †1584  69



Bronnen:
1.Drie verwante geslachten van Driel (Zuid-Hollandse eilanden, ca. 1350-1650) (B 262), C.Sigmond en H.J. Slijkerman, Van der Boom & Slijkerman, 9789073240155, Rotterdam, 1998

Lijsbeth Pietersdr van Driel
Lijsbeth Pietersdr (Lijsbeth Pieters) van Driel, geb. IJsselmonde circa 1485, ovl. Barendregt (Berkel) in 1574.

tr. in 1510
met

Hendrick Aerts van Driel1, zn. van Aert Heinensz Driel (in 't Velt) en Niesje Cornelisdr van Driel, geb. Barendregt (Berkel) circa 1486, hoogheemraad 1526-1532, dijkgraaf 1533-1551 van West IJsselmonde, ovl. Barendregt (Berkel) op 21 apr 1551 (21 apr 1521).

Hendrick Aerts van Driel.
Hendrick Aertsz, geboren ca.1486 (oud 63 jaar in 1549), overleden tussen 21 april 1551 en 1 juli 1552. Hendrick Aertsz. woonde aan de Hordijk onder Barendrecht en was eigenaar en/of gebruiker van land onder Barendrecht, Oost-IJsselmonde, Ridderkerken Charlois. Hij was hoogheemraad (1526-1532) en dijkgraaf (1533-1551) van de vier polders van West-IJsselmonde en van de polder Smeetsland onder IJsselmonde. Bovendien was hij heemraad van Oost-Barendrecht (1549).
Op 25 mei 1549 verklaarde Henrick Aertsz. wonende in het ambacht van Oost-Barendrecht, "oud omtrent LXIIJ Jaeren", dat "wijlen Pieter Dircxz. wonende in het Oestambocht van IJsselmonde sijne huijsvrouwe vader sterff onlanx naede laetstegroote Innudatie / te weten Int begunsel vanden Jaere XXXIIJ lestleden".
Na het overlijden van Pieter Dircksz. waren enige poorters van Delft naar IJsselmonde gekomen, om zekere 9 morgen lands te "aenvaerden ende verhuijren" die door Pieter Dircxz. waren achtergelaten. Hieruit was een kwestie ontstaan voor het gerecht van Dordrecht, omdat Henrick Aertsz. en de andere erfgenamen een brief hadden "die zij in tsterfhuijs van Pieter Dircxz. voors. gevonden hadden / dat de voors. van Delft geen eijgendom aen tvoors. landt en had een dan had een alleenlick daer op een losrente van XV Karolus guldens tsiaers". Zodoende "triumpheerden" zijn in hun zaak voor het gerecht van Dordrecht en moesten die .
van Delft tevreden zijn met de ontvangst van de hoofdsom en de renten. Zodoende "bleef midtsdijen tvoors. landt anden erfgenamen van Pieter Dircksz. voors. daert alsnoch aen is". Interessant is het vervolg van de verklaring van Henrick Aertsz, waarin hij zegt, dat "hij deposant die altijt van jongs op gewoent heeft int Oestambacht van IJsselmonde ofte in Oestbarendrecht voors. ende dicwils heemraet geweest is int Westambocht van IJsselmonde voors. als hij noch is/ dicwils sijn ouders ende verscheijdene andere luijden hoeren seggen (...) dat hier voortijts een manier van doen ofte gewoente plach te sijn int Westambocht van  IJsselmonde ende daer ontrent dat als ijemandt renten op sijn landt hebben wilde hij den eijgendom van tselfde landt tot behoeff vanden cooper der selver renten over plach te geven / ende de cooper wederom briefven datmen tselfde landt lossen mochte mitten hoeftsomme vanden rente ende tverloop vandien".
Op 19 maart 1533 (voor Pasen, d.i. 1534) ondertekende Heynrick Aertsz, voor de eerste maal als dijkgraaf, de rekening van het Westambacht van IJsselmonde. Deze rekeningen werden jaarlijks te Delft afgesloten en ondertekend, waarbij het tweede deel van de rekeningen de polder Smeetsland betrof: ook dit gedeelte werd jaarlijks getekend door dijkgraaf Heijndrick Aertz. In deze rekeningen kwam in de periode 1533-1551 jaarlijks een post voor waarin "den dijckg(raa)f is tue ghescyrt van dat hij gedient heeft dit jaer voirleden dat gemenelant". Dijkgraaf Heijnrick Aertsz. ondertekende de rekening voor de laatste maal op 21 april 1551 (na Pasen): op 3 maart 1551 (=1552) werd de rekening ondertekend door zijnopvolger Andries Ariensz.
De oudste vermeldingen van Hendrick Aertsz. betreffen vergoedingen die hij ontving van de polder West-IJsselmonde wegens "daghuur": 1508 en 1509 had hij twee dagen voor de polder gewerkt en in 1510 had hij samen met zijn vader Aert Heynricxz. een dag aan de oude sluis gewerkt. Vermoedelijk is opnieuw sprake van ditzelfde sluisje in de polderrekening van Nieuw-Reijerwaard van 1529, waarin het werd aangeduid als het "sluijsken bij Heinrick Aertss.". Vanwege de noodzaak van werkzaamheden aan dezesluis "after Heijnrick Aertss. werd in dat jaar een "vingerling" (tijdelijk dijkje) aangelegd, waarbij Heijnrick Aertss zelf  een vergoeding kreeg "van wageplancken hout plancken daermen die sluijs mede stopte".
In 1539 was opnieuw sprake van de sluis bij Heijnrick Aertsz, vanwege gemaakte kosten om deze sluis te verleggen. Vanaf 1528 werd Hendrick Aertsz, jaarlijks vermeld in de rekeningen van de waarsman van Nieuw-Reijerwaard als huurder van een "werf" aan de Hordijk. Vermoedelijk werd deze werf gebruikt voor de verbouw van hennep, een produkt dat diende voor de vervaardiging van touw en zeildoek.
In 1542 werd "Heynrick Aertsz. anden Hordick" aangeslagen voor een "henipworf". Deze werf was tot 1525 gedurende vele jaren gepacht door zijn vader Aert Hendriksz, en in 1526 en 1527 door diens weduwe. De jaarlijks verschuldigde pachtsom voor deze werf bedroeg 3 gulden: een bedrag dat ongewijzigd bleef vanaf de eerste vermelding in 1486 tot 1540! Voor een andere, soortgelijke werf aan de Hordijk moest 2 gulden per jaar betaald worden, Deze tweede werf werd vanaf 1483 tot 1525 gepacht door Adriaen Heinenz, de oom van Hendrick Aertsz. Vanaf 1526 tot 1533 was een zekere Gheerloff Ghijsbrehtss, de huurder van dit tweede werfje, maar vanaf 1534 betaalde Heijnrick Aertss. de pacht voor beide werven.
Vanaf 1541 werd de pachtsom verdubbeld: in 1541 en 1542 betaalden "Heijnrick Aertss. de pacht voor beide werven. Vanwege een hiaat in de polderrekeningen van Nieuw-Reijerwaard van 1543 tot 1553 is onduidelijk hoe lang sprake is geweest van deze gezamenlijke pacht door vader Hendrick Aertsz. en zoon Jan Hendricksz. Wel is duidelijk dat beiden in deze periode zijn overleden, want in 1533 betaalden ene Wit Lourisz. en "Cornelis Heynricx uuten naem van sijn moeder"(1554: "Heijnrick Aertsz. weduwe") de pacht van "twee worven mit die telinge dair op staende die sij seven jaren verpacht (=gepacht) hebben". Cornelis Hendricksz. de zoon van Hendrick Aertsz. nam in 1559 de werf over, zoals blijkt uit de rekening over dat jaar, waarin Wit Louwen en Cornelis Heijnricxz. worden genoemd als huurders "van twee worven mit die telinge dair op staende die sij thien jaren verpacht hebben / van teerste Xe jaer XXIJ gl.". .
Uit de kohieren van de tiende penning van 1542 en 1543 blijkt dat "Heynrick Aertsz. anden Hordick" in Oost-Barendrecht bruiker was van 16 morgen land, een "hennipworf" en een "stuck uuttergor(s)", het laatste samen met zijn zwager Lenert Pieters. In het kohier van Ridderkerk wordt Heijnrick Aertsz. vermeld onder de "buyten bruyckers wonende buyten den Ambocht van Ridderkerck", als gebruiker van een perceel van 2 norgen 2 hont 72 roeden. Onder Charlois gebruikte Heindrick Aertsz. 3 morgen in "Dirck Smees landt" en nog 10 morgen in "de hilen". Dit behoorlijk uitgebreide grondgebruik werd door Hendrick Aertsz. in de daarop volgende jaren nog vergroot. Op 5 maart 1543 sloot "Heynrick Aertsz. vanden Hordijck" voor schepenen van  Dordrecht een pachtovereenkomst met de eigenaren van 4 morgen 4 hont lands in "Smegeslant" (Smeetsland), voor een termijn van 4 jaar. Op 1 mei 1545 kocht Heynrick Aertsz: "een gerecht vierendeel van vier mergen en sestalf hont lants gelegen in Nyeu Ridderwaert in Cornelis landeken", tussen Crommeweg en Willairts dijkje, gemeen met de "heyligen gheest" ter Nieuwekerk in Dordrecht en met Ariaentgen Adriaensdr. Hoe uitgebreid het landbezit en -gebruik van Hendrick Aertsz is geweest, valt af te leiden uit de kohieren van de 10e penning uit het jaar 1557. Zijn weduwe Lijsbeth werd hierin aangeslagen voor percelen land, gelegen in Oost-Barendrecht (5 morgen), in "Cornelislandeken" (8 morgen) eigen en 3 morgen van de "heylige geest"), in het "buiten nieuwland" van Oost-Barendrecht (4,5 morgen eigen en 2 morgen van anderen), in het "nieuwe Buitenland" van West-Barendrecht (ruim 22 morgen eigen), in de eerste hoef het Oudeland van (Ost-) IJsselmonde (7,5 morgen eigen) in West-IJsselmonde (8,5 morgen eigen en 2 morgen "geestelijk goed") en in het Nieuweland aldaar (ruim 7 morgen eigen). Bovendien had "de we(duwe) van Henrick Aertsz. in Barendrecht met die we(duwe) van Cornelis Pietersz. tot IJsselmont (...) tsaemen een vierendeel" in het Buitenland van West-IJsselmonde, "met die visscherije ende anders hooren ancleeven". Er kan zonder meer gesproken worden over een behoorlijk welvarend boerenbedrijf, dat bovendien voornamelijk op eigen grondbezit berustte. Interessant in deze opsomming is de 7,5 morgen eigen land, die de weduwe van Hendrick Aertsz. bezat in de eerste hoef, groot 15 morgen, gelegen in het Oudeland van IJsselmonde. De andere helft van deze hoef, eveneens 7,5 morgen had een zekere Adriaen Diricxz. in huur van de weduwe van Wouter Schiltman tot Dordrecht. In 1574 werd in deze eerste hoef de ene 7,5 morgen gebruikt door Pieter Pietersz. Cranendonck van Pieter van Driel tot Haarlem, en werd de andere 7,5 morgen gebruikt door de weduwe van Dirck Floerisz. in Smeetsland, die dit deel in eigendom had. Hoewel voor de hand ligt, dat Pieter van Driel behoorde tot de verwanten van Hendrick Aertsz, was dit toch niet het geval! Juist de 7,5 morgen die eigendom waren van de weduwe van Dirck Floerisz. in Smeetsland, waren afkomstig uit de erfenis van de weduwe van Hendrick Aertsz. Het is puur toeval, dat de andere helft van deze hoef eigendom was van deze Pieter (Herrens) van Driel. Dit blijkt uit een transport uit 1562, waarbij Pieter Herrensen de jonge (van Driel) deze 7,5 morgen vrij eigen lands met toebehoren teruggaf "in handen van sijn huijsvrouwen moeder genaempt Janneken Meynertsdochter", weduwe van wijlen Wouter Schilmans totDordrecht. Deze had hem dit land "met hair dochter in huywelick (...) gegeven nae 't uuyt wijsen (van) die huywelixce voorwairt". In 1565 werd Anneken Meijnaertsdr. inderdaad als eigenaresse van het perceel aangeduid, maar in 1574 was Pieter van Driel toch weer eigenaar! Overigens bevatte de boedel van Hendrick Aertsz. niet slechtx baten, maar was er ook sprake van enige schulden. Zo bevatte de boedel van de weeskinderen van Machtelt Cornelisdr. van Crommenye en wijlen Pieter Willemsz. brouwer een rentebrief van 12 Car.gld per jaar, sprekende op Elyzabeth Pietersdr. weduwe van wijlen Hendrick Aerts woonde aan de Hordijk onder Barendrecht en was eigenaar en/of gebruiker van land onder Barendrecht, Oost-IJsselmonde, Ridderkerk en Charlois. Hij was hoogheemraad (1526-1532) en dijkgraaf (1533-1551) van de vier polders van West-IJsselmonde en van de polder Smeetsland onder IJsselmonde. Bovendien was hij heemraad van Oost-Barendrecht (1549).
Heynderick Aertsz. in Oestbarendrecht. Deze Pieter Willemsz. Brouwer, vroedschap van Rotterdam (1534-1553), die eerder gehuwd was geweest met Hillegond Claesdr. was de schoonvader van een andere Van Driel Ingen Cornelisz, brouwer te Rotterdam, eveneens afkomstig uit de omgeving van de Hordijk. Hendrick Aertsz. huwde Lijsbeth Pietersdr, geboren naar schatting rond 1485 te IJsselmonde, overleden na 1574 te Barendrecht. Lijsbeth Pietersdr. was een dochter van Pieter Dircksz, schout van West-IJsselmonde, en N.N. Cornelis van Driel. Deze Pieter Dircxz, wonende aan de Hordijk, werd in 1529 genoemd onder de  "grontheren ende geerffden vander nieuwe dijckagien vande Hille in Charlois", waarin hij voor 1/20 deel gerechtigd was. In 1543 werden als gebruikers of eigenaars van land in de Hillen vermeld: Jan Heindricxz. (2,5 morgen), Lenaert Pietersz. (14 morgen), Aert Heindricxz. (2,5 morgen), Neel Dircx (9 morgen) enHeindrick Aertsz. (10 morgen). Het ligt voor de hand in deze personen de erfgenamen van Pieter Dircksz. te zien: twee zoons (Cornelis Pietersz. alias Neel Dircksz, Lenaert Pietersz.), een schoonzoon en twee kleinzoons (Hendrick Aertsz, gehuwd met Lijsbeth Pieters, en hun zoons Jan en Aert Hendricksz.). Het gegeven dat Lijsbeth Pietersdr. een zuster was van Cornelis Pietersz. alias Neel Dircks te IJsselmonde verklaart waarom zij met diens weduwe Soetje diverse percelen land gemeenschappelijk gebruikte. De kerkmeesters van Ridderkerk ontvingen vanaf 1555 jaarlijks van "Lijsbeth Heynrick Aertsz. wedue en Zuet Cornelis Pietersz. wedue van VIIJ hont lants die sij X jaer verpacht hebben". De twee gezinnen gebruikten ook aangrenzende percelen zoals blijkt uit de jaarlijkse vermeldingen vanaf 1553 in de rekeningen van Nieuw-Reijerwaard: "Ith.ontf.van Cornelis Pietersz. van eenen worf dair hij op woent/ mit dat eynt van Willairtsdijcxken / van 't hecken of bij Heijnrick Aertsz. weduwe / tot Zevenbergen toe". Ook Lenert Pieters. te Barendrecht was een broer van Lijsbeth: behalve uit diverse indirecte aanwijzingen blijkt dit bijvoorbeeld ook uit het gezamenlijk bezit van een uitergors in Oost-Barendrecht in 1543.

Uit dit huwelijk 6 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Aert*1525 Poortugaal †1596 Poortugaal 71
Dirk*1514 Poortugaal †1585 Poortugaal 70
Jan*1510 IJsselmonde †1565 IJsselmonde 54
Neeltje*1515  †1584  69



Bronnen:
1.Drie verwante geslachten van Driel (Zuid-Hollandse eilanden, ca. 1350-1650) (B 262), C.Sigmond en H.J. Slijkerman, Van der Boom & Slijkerman, 9789073240155, Rotterdam, 1998

Janna van den Berg
Janna van den Berg, geb. Amsterdam in 1621.

tr. Delden op 23 apr 1643
met

Rutger Putman, zn. van Johannes Putman en Matilde (Mechteld) Meyer, geb. Goor in 1611, ovl. Delden op 13 mrt 1674.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Sara~1652 Delden    


Abraham Brouwer
Abraham Brouwer, geb. Ridderkerk in 1270.

tr.
met

Maaike van der Waal, dr. van Aart van der Waal en Maaike van Es, geb. Ridderkerk in 1276, ovl. aldaar in 1345.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Cornelia*1292 Ridderkerk †1345 Charlois 53


Heijn Heijnsz (jonge Heijn) van Driel
Heijn Heijnsz (jonge Heijn) van Driel, geb. Barendregt (Barendrecht) in 1420, ovl. IJsselmonde in 1475.

tr.
met

Adriaen Michilsdr.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Aert*1454  †1525 Barendrecht 71


Adriaen Michilsdr
Adriaen Michilsdr.

tr.
met

Heijn Heijnsz (jonge Heijn) van Driel, geb. Barendregt (Barendrecht) in 1420, ovl. IJsselmonde in 1475.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Aert*1454  †1525 Barendrecht 71


Maaike van der Waal
Maaike van der Waal, geb. Ridderkerk in 1276, ovl. aldaar in 1345.

tr.
met

Abraham Brouwer, geb. Ridderkerk in 1270.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Cornelia*1292 Ridderkerk †1345 Charlois 53


Jan Melsz van Driel
 
Jan Melsz van Driel, geb. circa 1265.

 

tr.
met

Pietertje Kermis, geb. Ridderkerk circa 1270, ovl. Charlois.

Uit dit huwelijk een zoon:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1305 Ridderkerk †1385 Zwijndrechtse Waard 79


Pietertje Kermis
Pietertje Kermis, geb. Ridderkerk circa 1270, ovl. Charlois.

tr.
met

Jan Melsz van Driel, zn. van Mels van Driel en Metje Jansdr, geb. circa 1265.

 

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1305 Ridderkerk †1385 Zwijndrechtse Waard 79


Jan Jansz de jonge van Driel
 
Jan Jansz de jonge (Jan Jansz (de Jonge) Pieter Claes) van Driel1, geb. Sandelingen Ambacht circa 1355 (10 jul 1355), koper van haver en koren. heemraad van Sandelingen Ambacht in 1408, ovl. Zwijndrechtse Waard op 5 sep 1421.


Jan Jansz de jonge van Driel.
Jan Jansz. van Driel was heemraad (1408) van Gherit Hendricxz. Ambacht (later Adriaen Pieters Ambacht of Sandelingenambacht genoemd). In de reeks Zuid-Hollanse domeinrekeningen (1383-1386) van rentmeester Goedscalc van Brakel zijn de kopers van korentienden van Zwijndrecht met name genoemd. In drie rekeningen wordt wordt "jonge" Jan Jansz. van Driel vermeld als koper van korentienden in de  Zwijndrechtse Waard (jaren 1383, 1384 en 1385). Op zaterdag 1 december 1403 "keerde Jan Jansz. de "pandinghe"(=gerechtelijke beslaglegging) die Jan Schoenhout op hem gelegd had. Jan Jansz. bestreed het beslag met een schepenbrief van rente" die hem die abt van Baerne opgedraghe(n) heefft". Met deze schepenbrief als bewijs, meende Jan Jansz. "dat hij geen wete en hadde als recht is" en dat het beslag onterecht was. Bijna vier maanden later, in maart van het jaar 1404, dingde Jan Jansz. "die havercoper" in dezelfde zaak opnieuw voor het gerecht van Dordrecht betreffende de panding op zijn erf in "Gherit Heijnricxz. ambochte".
Jan Jansz. verklaarde dat hij niet tijdig had geweten van de panding en hij hoopte dat dit uit het "register" en de getuigenis van de heemraden van het ambacht zou blijken. Hij meende dat hij de panding mocht keren binnen de eerste veertien dagen. Daarop zei Jan Schoenhout dat zijn knecht namens hem Jan Jansz. "een wete gedaen hadde" (verwittigd had), en dat de vierschaar dit had bevestigd Hij meende daarom dat hij het beslag "met recht volghen soude". Na hoor en wederhoor, vonnisten de schepenen dat indien Jan Jansz. aannemelijk kon maken dat hij niet had geweten van de panding, hij alsnog binnen veertien dagen de panding mocht keren. Als bewijs hiervoor zou hij een verklaring onder ede moeten laten afleggen door de schout en twee of meer heemraden van Gherit  Henricxz. ambacht. Het lijkt aannemelijk, dat Jan Jansz. haverkoper identiek was met Jan Jansz. van Driel. Interessant is daarmee ook een zaak uit april 1404, waarin de eigendomsbrief bevestigd wordt die Jan Jansz. die havercoeper heeft op een half huis, gekocht van Roelant Jansz, gelegen bij de Hoppensteiger in Dordrecht. De koop van dit huis werd betwist door Jacob But, als man van de weduwe Filips van Beveren, die blijkbaar rechten kon doen gelden. Deze connectie met het geslacht Van Beveren doet denken aan de akte uit 1407, waarin de boedelscheiding plaatsvond tussen Jan (Willemsz.) van Beveren, als man van Margriete Meeus Meeusz.dochter, die eerder gehuwd was geweest met Jan Jansz, mogelijk identiek met (I) Jan Jansz. van Driel!. Voor het gerecht van Dordrecht diende op 11 augustus 1408 een zaak tussen Ghijsbrecht Florensz. op de ene zijde en Jan Jansz.(van Driel) op de andere zijde, betreffende 6 morgen 2 hont land in Gherit Henricxz. ambacht, gelegen in de hoeve genaamd "jonge Witte(n)hoeve". Het land werd bij vonnis toegewezen aan Ghijsbrecht Florisz, maar is in de volgende jaren blijkbaar toch in handen gekomen van Jan Jansz. van Driel of zijn zoon Heijken, blijkens een verklaring van drie jaar later. Op 13 november 1411 getuigden drie heemraden van Gherit Henricxz. ambacht op hun eed dat in de hoeve lands aldaar, die van "jonghe Witte(n)" was geweest, naar hun weten geen andere eigenaren waren dan Otte van Malburch, Willem Heiric Moelnaersz. en Heyken Jansz.van Dryele In november 1421 keerde Dirc van Driel een "pandinghe" vanwege Adriaen, zijn moeder. De schuld waaruit dit beslag voortkwam, werd door de eiseres, de vrouwe Van der Ham, kwijtgescholden in februari van het volgende jaar. Aangezien in februari 1422 sprake is van een schuld van de erfgenamen van Jan van Driel, vanwege landpacht verschenen op 22 februari 1421, moet Jan Jansz. van Driel in de eerste helft van het jaar 1421 zijn overleden.
Jan Jansz. van Driel huwde met Adriana (Jaene) N.N, overleden na 16 augustus 1423, vermoedelijke te Sandelingenambacht. Op 13 augustus 1432 beloofde "Jaene.
van Driel" voor schepenen van Dordrecht, dat zij de koeien die zij ontvangen had van de voogd van Lijsbeth, de (onmondige) dochter van Piet(er) Michielsz, zou teruggeven op de Dordtse bamismarkt (in oktober). Uit een enkele dagen later gepasseerde akte blijkt, dat deze voogd niemand minder was dan haar zoon Jan van Driel. Deze verklaarde op 16 augustus dat hij aan "Jaene Jans weduwe van Driel" verkocht had zeker haver "staende opt lant" en zekere "stije"(stee) met toebehoren en "beesten": 4 koeien, 4 kalveren en 15 ooien. Jan van Driel had dit goed van Lijsbeth Pieter Michielszdochter "gepant en(de) geeyghent (...) op Heye(n) van D(r)yel sine broeder". In dezelfde akte van 16 augustus 1423 ver-klaarde Jaene dat zij Jan van Dryel verkocht had 3 morgen lande in Schildmanskinderenambacht "gehe(te)n die poerkamp".
Jan Jansz. van Driel was heemraad (1408) van Gherit Hendricxz. Ambacht (later Adriaen Pieters Ambacht of Sandelingenambacht genoemd). In de reeks Zuid-Hollanse domeinrekeningen (1383-1386) van rentmeester Goedscalc van Brakelzijn de kopers vankorentienden van Zwijndrecht met name genoemd. In drie rekeningen wordt wordt "jonge" Jan Jansz. van Driel vermeld als koper van korentienden in de Zwijndrechtse Waard (jaren 1383, 1384 en 1385). Op zaterdag 1 december1403 "keerde Jan Jansz. de "pandinghe"(=gerechtelijke beslaglegging) die Jan Schoenhout op hem gelegd had. Jan Jansz.bestreed het beslag met een schepenbrief van rente" die hem die abt van Baerne opgedraghe(n) heefft". Met deze schepenbrief als bewijs, meende Jan Jansz. "dat hij geen wete en hadde als recht is" en dat het beslag onterecht was.Bijna vier maanden later, in maart van het jaar 1404, dingde Jan Jansz. "die havercoper" in dezelfde zaak opnieuw voorhet gerecht van Dordrecht betreffende de panding op zijn erf in "Gherit Heijnricxz. ambochte". Jan Jansz. verklaarde dat hij niet tijdig had geweten van de panding en hij hoopte dat dit uit het "register" en de getuigenis van de heemraden van het ambacht zou blijken. Hij meende dat hij de panding mocht keren binnen de eerste veertien dagen. Daarop zei JanSchoenhout dat zijn knecht namens hem Jan Jansz. "een wete gedaen hadde" (verwittigd had), en dat de vierschaar dit had bevestigd Hij meende daarom dat hij het beslag "met recht volghen soude". Na hoor den wederhoor, vonnisten de schepenendat indien Jan Jansz. aannemelijk kon maken dat hij niet had geweten van de panding, hij als nog binnen veertien dagende panding mocht keren. Als bewijs hiervoor zou hij een verklaring onder ede moeten laten afleggen door de schout en twee of meer heemraden van Gherit Henricxz. ambacht. Het lijkt aannemelijk, dat Jan Jansz. haverkoper identiek was met Jan Jansz. van Driel. Interessant is daarmee ook een zaak uit april 1404, waarin de eigendomsberief bevestigd wordt die Jan Jansz. die havercoeper heeft op een half huis, gekocht van Roelant Jansz, gelegen bij de Hoppensteiger in Dordrecht. De koop van dit huis werd betwist door Jacob But, als man van de weduwe Filips van Beveren, die blijkbaar rechten kon doen gelden. Deze connectie met het geslacht Van Beveren doet denken aan de akte uit 1407, waarin de boedelscheiding plaatsvond tussen Jan (Willemsz.) van Beveren, als man van Margriete Meeus Meeusz.dochter, die eerder gehuwd was geweest met Jan Jansz, mogelijk identiek met (I) Jan Jansz. van Driel!. Voor het gerecht van Dordrecht diende op 11 augustus 1408 een zaak tussen Ghijsbrecht Florensz. op de ene zijde en Jan Jansz.(van Driel) op de anderezijde, betreffende 6 morgen 2 hont land in Gherit Henricxz.ambacht, gelegen in de hoeve genaamd "jonge Witte(n)hoeve".Het land werd bij vonnis toegewezen aan Ghijsbrecht Florisz, maar is in de volgende jaren blijkbaar toch in handen gekomen van Jan Jansz. van Driel of zijn zoon Heijken, blijkens een verklaring van drie jaar later. Op 13 november 1411 getuigden drie heemraden van Gherit Henricxz. ambacht op hun eed dat in de hoeve lands aldaar, die van "jonghe Witte(n)"was geweest, naar hun weten geen andere eigenaren waren dan Otte van Malburch, Willem Heiric Moelnaersz. en HeykenJansz.van Dryele In november 1421 keerde Dirc van Driel een "pandinghe" van wege Adriaen, zijn moeder. De schuld waaruit dit beslag voortkwam, werd door de eiseres, de vrouwe Van der Ham, kwijtgescholden in februari van het volgende jaar. Aangezien in februari 1422 sprake is van een schuld van de erfgenamen van Jan van Driel, vanwege landpacht verschenen op 22 februari 1421, moet Jan Jansz. van Driel in de eerste helft van het jaar 1421 zijn overleden.

In de Zuid-Hollandse domeinrekeningen (1383--1386) van rentmeester Goedscalc van Brakel zijn de kopers van korentienden van Zwijndrecht met name genoemd. In drie rekeningen wordt jonge Jan Jansz v Driel als koper van korentiende in de Zwijndrechtde Waard (jaren 1383, 1384, en 1385 ).
Op zaterdag 1 december 1403 keerde Jan Jansz de pandinghe (=gerechtelijke beslaglegging) die Jan Scoenhout op hem gelegd had. Jan Jansz. bestreed het beslag met een schepenbrief van rente die hem die abt van Baerne opgedraghe(n) heefff.
Met deze schepenbrief als bewijs meende Jan Jansz, dat hij geen wete hadde als recht is.en dat het beslag onterecht was.
Bijna vier maanden later, in maart van het jaar 1404 dingde Jan Jansz, die havercoper in dezelfde zaak opnieuw voor het gerecht van Dordrecht betreffende de panding op zijn erf in Gherit Heijnricxz. ambochteJan Jansz verklaarde dat hij niet tijdig had geweten van de panding en hij hoopte dat dit uit het register en de getuigenis van de heemraden van het ambacht zou blijken.
Hij meende dat hij de panding mocht keren binnen de eerste veertien dagen.
Daarop zei Jan Scoenhout dat zijn knecht namens hen Jan Jansz een wete gedaen hadde (verwittigd had), en dat de vierschaar dit had bevestigd. Hij meende daarom dat hij het beslag met recht volghen soude.
Na hoor en wederhoor, vonnisten de schepenen dat indien Jan Jansz aannemelijk kon maken dat hij niet had geweten van de panding, dat hij alsnog binnen veertien dagen de panding mocht keren. Als bewijs hiervoor zou hij een verklaring onder ede moeten laten afleggen door de schout en twee of meer heemraden van Gherit Henricxz ambacht.
Op 13 augistus 1423 beloofde Jaene v Driel voor schepenen van Dordrecht, dat zij de koeien die zijn had ontvangen van de voogd van Lijsbeth, de onmondige dochter van Piet(er) Michielsz, zou terug geven op de Dordtse bamismarkt (in oktober) Uit enkele dagen later gepasseerde akte blijkt, dat deze voogd niemand minder was dan haar zoon Jan van Driel.
Deze verklaarde dat hij aan Jaene Jans weduwe van Driel verkocht had een zekere haver staende opt land en zekere stije (stee) met toebehoren en beesten :4 koeien, 4 kalveren en 15 ooien.
Jan v Driel had dit goed als voogd van Lijsbeth Pieter Michielszdochter geplant en (de) geeyghent (.) op Heye(n) van D(r)yel sine broeder In dezelfde akte van 16 aug. 1423 verklaarde Jaene dat zij Jan van Dryel verkocht had 3 morgen land in Schiltmanskinderenambacht gehe(te)n die poerkamp.

 

tr. in 1380
met

Adriana Jaene Jansdr (Adriana) Meeuse, Meeuse, geb. Ridderkerk op 8 jun 1355, ovl. Sandelingen Ambacht (te Sandelingenambacht) (Sandelingen-Ambacht) op 16 aug 1423.

Uit dit huwelijk 3 kinderen, waaronder:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Dirck*1385 Zwijndrecht †1429 Zwijndrecht 44
Jan*1390  †1450  60



Bronnen:
1.Drie verwante geslachten van Driel (Zuid-Hollandse eilanden, ca. 1350-1650) (B 262), C.Sigmond en H.J. Slijkerman, Van der Boom & Slijkerman, 9789073240155, Rotterdam, 1998

Adriana Jaene Jansdr Meeuse
Adriana Jaene Jansdr (Adriana) Meeuse, Meeuse, geb. Ridderkerk op 8 jun 1355, ovl. Sandelingen Ambacht (te Sandelingenambacht) (Sandelingen-Ambacht) op 16 aug 1423.

tr. in 1380
met

Jan Jansz de jonge (Jan Jansz (de Jonge) Pieter Claes) van Driel1, zn. van Jan van Driel en Margriete Meeuwesdr, geb. Sandelingen Ambacht circa 1355 (10 jul 1355), koper van haver en koren. heemraad van Sandelingen Ambacht in 1408, ovl. Zwijndrechtse Waard op 5 sep 1421.

 


Jan Jansz de jonge van Driel.
Jan Jansz. van Driel was heemraad (1408) van Gherit Hendricxz. Ambacht (later Adriaen Pieters Ambacht of Sandelingenambacht genoemd). In de reeks Zuid-Hollanse domeinrekeningen (1383-1386) van rentmeester Goedscalc van Brakel zijn de kopers van korentienden van Zwijndrecht met name genoemd. In drie rekeningen wordt wordt "jonge" Jan Jansz. van Driel vermeld als koper van korentienden in de  Zwijndrechtse Waard (jaren 1383, 1384 en 1385). Op zaterdag 1 december 1403 "keerde Jan Jansz. de "pandinghe"(=gerechtelijke beslaglegging) die Jan Schoenhout op hem gelegd had. Jan Jansz. bestreed het beslag met een schepenbrief van rente" die hem die abt van Baerne opgedraghe(n) heefft". Met deze schepenbrief als bewijs, meende Jan Jansz. "dat hij geen wete en hadde als recht is" en dat het beslag onterecht was. Bijna vier maanden later, in maart van het jaar 1404, dingde Jan Jansz. "die havercoper" in dezelfde zaak opnieuw voor het gerecht van Dordrecht betreffende de panding op zijn erf in "Gherit Heijnricxz. ambochte".
Jan Jansz. verklaarde dat hij niet tijdig had geweten van de panding en hij hoopte dat dit uit het "register" en de getuigenis van de heemraden van het ambacht zou blijken. Hij meende dat hij de panding mocht keren binnen de eerste veertien dagen. Daarop zei Jan Schoenhout dat zijn knecht namens hem Jan Jansz. "een wete gedaen hadde" (verwittigd had), en dat de vierschaar dit had bevestigd Hij meende daarom dat hij het beslag "met recht volghen soude". Na hoor en wederhoor, vonnisten de schepenen dat indien Jan Jansz. aannemelijk kon maken dat hij niet had geweten van de panding, hij alsnog binnen veertien dagen de panding mocht keren. Als bewijs hiervoor zou hij een verklaring onder ede moeten laten afleggen door de schout en twee of meer heemraden van Gherit  Henricxz. ambacht. Het lijkt aannemelijk, dat Jan Jansz. haverkoper identiek was met Jan Jansz. van Driel. Interessant is daarmee ook een zaak uit april 1404, waarin de eigendomsbrief bevestigd wordt die Jan Jansz. die havercoeper heeft op een half huis, gekocht van Roelant Jansz, gelegen bij de Hoppensteiger in Dordrecht. De koop van dit huis werd betwist door Jacob But, als man van de weduwe Filips van Beveren, die blijkbaar rechten kon doen gelden. Deze connectie met het geslacht Van Beveren doet denken aan de akte uit 1407, waarin de boedelscheiding plaatsvond tussen Jan (Willemsz.) van Beveren, als man van Margriete Meeus Meeusz.dochter, die eerder gehuwd was geweest met Jan Jansz, mogelijk identiek met (I) Jan Jansz. van Driel!. Voor het gerecht van Dordrecht diende op 11 augustus 1408 een zaak tussen Ghijsbrecht Florensz. op de ene zijde en Jan Jansz.(van Driel) op de andere zijde, betreffende 6 morgen 2 hont land in Gherit Henricxz. ambacht, gelegen in de hoeve genaamd "jonge Witte(n)hoeve". Het land werd bij vonnis toegewezen aan Ghijsbrecht Florisz, maar is in de volgende jaren blijkbaar toch in handen gekomen van Jan Jansz. van Driel of zijn zoon Heijken, blijkens een verklaring van drie jaar later. Op 13 november 1411 getuigden drie heemraden van Gherit Henricxz. ambacht op hun eed dat in de hoeve lands aldaar, die van "jonghe Witte(n)" was geweest, naar hun weten geen andere eigenaren waren dan Otte van Malburch, Willem Heiric Moelnaersz. en Heyken Jansz.van Dryele In november 1421 keerde Dirc van Driel een "pandinghe" vanwege Adriaen, zijn moeder. De schuld waaruit dit beslag voortkwam, werd door de eiseres, de vrouwe Van der Ham, kwijtgescholden in februari van het volgende jaar. Aangezien in februari 1422 sprake is van een schuld van de erfgenamen van Jan van Driel, vanwege landpacht verschenen op 22 februari 1421, moet Jan Jansz. van Driel in de eerste helft van het jaar 1421 zijn overleden.
Jan Jansz. van Driel huwde met Adriana (Jaene) N.N, overleden na 16 augustus 1423, vermoedelijke te Sandelingenambacht. Op 13 augustus 1432 beloofde "Jaene.
van Driel" voor schepenen van Dordrecht, dat zij de koeien die zij ontvangen had van de voogd van Lijsbeth, de (onmondige) dochter van Piet(er) Michielsz, zou teruggeven op de Dordtse bamismarkt (in oktober). Uit een enkele dagen later gepasseerde akte blijkt, dat deze voogd niemand minder was dan haar zoon Jan van Driel. Deze verklaarde op 16 augustus dat hij aan "Jaene Jans weduwe van Driel" verkocht had zeker haver "staende opt lant" en zekere "stije"(stee) met toebehoren en "beesten": 4 koeien, 4 kalveren en 15 ooien. Jan van Driel had dit goed van Lijsbeth Pieter Michielszdochter "gepant en(de) geeyghent (...) op Heye(n) van D(r)yel sine broeder". In dezelfde akte van 16 augustus 1423 ver-klaarde Jaene dat zij Jan van Dryel verkocht had 3 morgen lande in Schildmanskinderenambacht "gehe(te)n die poerkamp".
Jan Jansz. van Driel was heemraad (1408) van Gherit Hendricxz. Ambacht (later Adriaen Pieters Ambacht of Sandelingenambacht genoemd). In de reeks Zuid-Hollanse domeinrekeningen (1383-1386) van rentmeester Goedscalc van Brakelzijn de kopers vankorentienden van Zwijndrecht met name genoemd. In drie rekeningen wordt wordt "jonge" Jan Jansz. van Driel vermeld als koper van korentienden in de Zwijndrechtse Waard (jaren 1383, 1384 en 1385). Op zaterdag 1 december1403 "keerde Jan Jansz. de "pandinghe"(=gerechtelijke beslaglegging) die Jan Schoenhout op hem gelegd had. Jan Jansz.bestreed het beslag met een schepenbrief van rente" die hem die abt van Baerne opgedraghe(n) heefft". Met deze schepenbrief als bewijs, meende Jan Jansz. "dat hij geen wete en hadde als recht is" en dat het beslag onterecht was.Bijna vier maanden later, in maart van het jaar 1404, dingde Jan Jansz. "die havercoper" in dezelfde zaak opnieuw voorhet gerecht van Dordrecht betreffende de panding op zijn erf in "Gherit Heijnricxz. ambochte". Jan Jansz. verklaarde dat hij niet tijdig had geweten van de panding en hij hoopte dat dit uit het "register" en de getuigenis van de heemraden van het ambacht zou blijken. Hij meende dat hij de panding mocht keren binnen de eerste veertien dagen. Daarop zei JanSchoenhout dat zijn knecht namens hem Jan Jansz. "een wete gedaen hadde" (verwittigd had), en dat de vierschaar dit had bevestigd Hij meende daarom dat hij het beslag "met recht volghen soude". Na hoor den wederhoor, vonnisten de schepenendat indien Jan Jansz. aannemelijk kon maken dat hij niet had geweten van de panding, hij als nog binnen veertien dagende panding mocht keren. Als bewijs hiervoor zou hij een verklaring onder ede moeten laten afleggen door de schout en twee of meer heemraden van Gherit Henricxz. ambacht. Het lijkt aannemelijk, dat Jan Jansz. haverkoper identiek was met Jan Jansz. van Driel. Interessant is daarmee ook een zaak uit april 1404, waarin de eigendomsberief bevestigd wordt die Jan Jansz. die havercoeper heeft op een half huis, gekocht van Roelant Jansz, gelegen bij de Hoppensteiger in Dordrecht. De koop van dit huis werd betwist door Jacob But, als man van de weduwe Filips van Beveren, die blijkbaar rechten kon doen gelden. Deze connectie met het geslacht Van Beveren doet denken aan de akte uit 1407, waarin de boedelscheiding plaatsvond tussen Jan (Willemsz.) van Beveren, als man van Margriete Meeus Meeusz.dochter, die eerder gehuwd was geweest met Jan Jansz, mogelijk identiek met (I) Jan Jansz. van Driel!. Voor het gerecht van Dordrecht diende op 11 augustus 1408 een zaak tussen Ghijsbrecht Florensz. op de ene zijde en Jan Jansz.(van Driel) op de anderezijde, betreffende 6 morgen 2 hont land in Gherit Henricxz.ambacht, gelegen in de hoeve genaamd "jonge Witte(n)hoeve".Het land werd bij vonnis toegewezen aan Ghijsbrecht Florisz, maar is in de volgende jaren blijkbaar toch in handen gekomen van Jan Jansz. van Driel of zijn zoon Heijken, blijkens een verklaring van drie jaar later. Op 13 november 1411 getuigden drie heemraden van Gherit Henricxz. ambacht op hun eed dat in de hoeve lands aldaar, die van "jonghe Witte(n)"was geweest, naar hun weten geen andere eigenaren waren dan Otte van Malburch, Willem Heiric Moelnaersz. en HeykenJansz.van Dryele In november 1421 keerde Dirc van Driel een "pandinghe" van wege Adriaen, zijn moeder. De schuld waaruit dit beslag voortkwam, werd door de eiseres, de vrouwe Van der Ham, kwijtgescholden in februari van het volgende jaar. Aangezien in februari 1422 sprake is van een schuld van de erfgenamen van Jan van Driel, vanwege landpacht verschenen op 22 februari 1421, moet Jan Jansz. van Driel in de eerste helft van het jaar 1421 zijn overleden.

In de Zuid-Hollandse domeinrekeningen (1383--1386) van rentmeester Goedscalc van Brakel zijn de kopers van korentienden van Zwijndrecht met name genoemd. In drie rekeningen wordt jonge Jan Jansz v Driel als koper van korentiende in de Zwijndrechtde Waard (jaren 1383, 1384, en 1385 ).
Op zaterdag 1 december 1403 keerde Jan Jansz de pandinghe (=gerechtelijke beslaglegging) die Jan Scoenhout op hem gelegd had. Jan Jansz. bestreed het beslag met een schepenbrief van rente die hem die abt van Baerne opgedraghe(n) heefff.
Met deze schepenbrief als bewijs meende Jan Jansz, dat hij geen wete hadde als recht is.en dat het beslag onterecht was.
Bijna vier maanden later, in maart van het jaar 1404 dingde Jan Jansz, die havercoper in dezelfde zaak opnieuw voor het gerecht van Dordrecht betreffende de panding op zijn erf in Gherit Heijnricxz. ambochteJan Jansz verklaarde dat hij niet tijdig had geweten van de panding en hij hoopte dat dit uit het register en de getuigenis van de heemraden van het ambacht zou blijken.
Hij meende dat hij de panding mocht keren binnen de eerste veertien dagen.
Daarop zei Jan Scoenhout dat zijn knecht namens hen Jan Jansz een wete gedaen hadde (verwittigd had), en dat de vierschaar dit had bevestigd. Hij meende daarom dat hij het beslag met recht volghen soude.
Na hoor en wederhoor, vonnisten de schepenen dat indien Jan Jansz aannemelijk kon maken dat hij niet had geweten van de panding, dat hij alsnog binnen veertien dagen de panding mocht keren. Als bewijs hiervoor zou hij een verklaring onder ede moeten laten afleggen door de schout en twee of meer heemraden van Gherit Henricxz ambacht.
Op 13 augistus 1423 beloofde Jaene v Driel voor schepenen van Dordrecht, dat zij de koeien die zijn had ontvangen van de voogd van Lijsbeth, de onmondige dochter van Piet(er) Michielsz, zou terug geven op de Dordtse bamismarkt (in oktober) Uit enkele dagen later gepasseerde akte blijkt, dat deze voogd niemand minder was dan haar zoon Jan van Driel.
Deze verklaarde dat hij aan Jaene Jans weduwe van Driel verkocht had een zekere haver staende opt land en zekere stije (stee) met toebehoren en beesten :4 koeien, 4 kalveren en 15 ooien.
Jan v Driel had dit goed als voogd van Lijsbeth Pieter Michielszdochter geplant en (de) geeyghent (.) op Heye(n) van D(r)yel sine broeder In dezelfde akte van 16 aug. 1423 verklaarde Jaene dat zij Jan van Dryel verkocht had 3 morgen land in Schiltmanskinderenambacht gehe(te)n die poerkamp.

Uit dit huwelijk 3 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Dirck*1385 Zwijndrecht †1429 Zwijndrecht 44
Jan*1390  †1450  60



Bronnen:
1.Drie verwante geslachten van Driel (Zuid-Hollandse eilanden, ca. 1350-1650) (B 262), C.Sigmond en H.J. Slijkerman, Van der Boom & Slijkerman, 9789073240155, Rotterdam, 1998

Jan van Driel
 
Jan van Driel, geb. Zwijndrechtse Waard (te Zwijndrecht) circa 1325, ovl. Zwijndrecht voor 1385.


Jan van Driel.
Jan is wellicht dezelfde als Johan van Driel, die in 1384 een voogdijschap over Beatrix van der Dussen toegewezen kreeg, vrouwe van Ammerzoden in de Bommelerwaard.
Jan van Driel wordt in 1382 vermeld in de domeinrekening van Zuid-Holland, wegens een levering aan de stad Dordrecht, vermoedelijk van rijshout. In 1385 kocht Jan van Driel een korentiende in het land van Zwijndrecht, in "Aper ende Jans van Leyden ghemeijn Volgherlant". In de domeinrekeningen van Zuid-Holland wordt rond de jaren 1383-1385 nadrukkelijk een jonge Jan (Jansz.) van Driel genoemd. Deze aanduiding zou kunnen betekenen, dat de vader vande jonge Jan Jansz.van Driel een zelfde patroniem heeft gehad: (oude Jan Jansz. van Driel.
Jan van Driel zou identiek kunnen zijn met Johan van Driel, die in 1384 was toegewezen als voogd aan Beatrijs van der Dussen, vrouwe van Ammerzoden, in de Bommelerwaard: "Johan van Drile hoeren gekoeren momber, die hoer mit ordeel en mit rechte gegeven ward". Wellicht was dit dezelfde als Jan van Driel, poorter van Utrecht, wiens dode lichaam in 1394 in plechtige processie werd vervoerd naar zijn laatste rustplaats in de Sinte Marie aldaar. Hij huwde mogelijk 1e (voor ca 1355): N.N. Hij huwde mogelijk 2e (voor ca 1385): N.N. (Margriete Meeus Meeuszsdochter?). In het klepboek van Dordrecht is een veroordeling uit het jaar 1394 opgetekend, waarbij een zekere Aecht van Driel voor drie jaren verbannen werd. De reden van verbanning wordt niet vermeld. Een lichter vergrijp was gepleegd door Margriete van Driel, die samen met drie andere vrouwen in 1412 werd beschuldigd "van quaed werck, van quaetsprecken ende onzedeliken leven". Zij werden veroordeeld tot het leveren van elk 1000 stenen voor de bouw van de kerk, een in die tijd niet ongebruikelijke boete, die ten goede kwam aan de gehele stedelijke gemeenschap. Vermoedelijk behoorden zowel Aechte als Margriete van Driel tot de verwanten van Jan van Driel: het is niet uitgesloten dat een van beiden diens echtgenote of weduwe was. In dat verband is een Dordtse akte uit het jaar 1407 interessant, waarin een boedelscheiding plaatsvond tussen Jan (Willemsz.) van Beveren, als man van Margriete Meeus Meeusdochter, en een zekere Heinken Jansz. Uit de akte blijkt dat Heinken Jansz. een zoon was van Margriete Meeus Meeuszdochter uit haar eerste huwelijk met Jan Jansz! Het is niet ondenkbaar dat Margriete Meeus Meeus, identiek was met de in 1412 veroordeelde Margriete van Driel. Heinken Jansz. zou in dat geval een halfbroer van de hieronder genoemde andere kinderen kinnen zijn: aangezien deze oudere broers Van Drielniet in de boedelscheiding uit 1407 worden genoemd zullen zij in ieder geval een andere moeder dan Margriete hebben gehad.
Jan van Driel, geboren circa 1325. Jan van Driel wordt in 1382 vermeld in de domeinrekening van Zuid-Holland, wegens een levering aan de stad Dordrecht, vermoedelijk van rijshout. In 1385 kocht Jan van Driel een korentiende in het land van Zwijndrecht, in "Aper ende Jans van Leyden ghemeijn Volgherlant". In de domeinrekeningen van Zuid-Holland wordt rond de jaren 1383-1385 nadrukkelijk een jonge Jan (Jansz.) van Driel genoemd. Deze aanduiding zou kunnen betekenen, dat de vader van deze jonge Jan Jansz. van Driel een zelfde patroniem heeft gehad: (oude) Jan Jansz. van Driel!.
Jan van Driel zou identiek kunnen zijn met Johan van Driel. die in 1384 was toegewezen als voogd aan Beatrijs van der Dussen, vrouwe van Ammerzoden, in de Bommelerwaard: "Johan van Drile hoeren gekoeren momber, die hoer mit ordeel en mit rechte gegeven ward". Wellicht was dit dezelfde als Jan van Driel, poorter van Utrecht, wiens dode lichaam in 1394 in plechtige processie werd vervoerd naar zijn laatste rustplaats in de Sinte Marie aldaar.
Gehuwd (1) met N. N. (zie 362497).
Gehuwd (2) met N. N. In het klepboek van Dordrecht is een veroordeling uit het jaar 1394 opgetekend, waarbij een zekere Aecht van Driel voor drie jaar verbannen werd. De reden van verbanning wordt niet vermeld. Een lichter vergrijp was gepleegd doorMargriete van Driel, die samen met drie andere vrouwen in 1412 werd beschuldigd "van quaed werck, van quaetsprecken ende onzedeliken leven". Zij werden veroordeeld tot het leveren van elk 1000 stenen voor de bouw van de kerk, een in die tijd niet ongebruikelijke boete, die ten goede kwam aan de gehele stedelijke gemeenschap. Vermoedelijk behoorden zowel Aechte als Margriete van Driel tot de verwanten van Jan van Driel: het is niet uitgesloten dat .n van beiden diens echtgenote of weduwe was.In dat verband is een Dordtse akte uit het jaar 1407 interessant, waarin een boedelscheiding plaats vond tussen Jan (Willemsz.) van Beveren, als man van Margriete Meeus Meeuszdochter, en een zekere Heinken Jansz. Uit de akte blijkt dat Heinken Jansz. een zoon was van Margriete Meeus Meeuszdochter uit haar eerste huwelijk met Jan Jans.! Het is niet ondenkbaar dat Margriete Meeus NIeeusz. identiek was met de in 1412 veroordeelde Margriete van Driel. Heinken Jansz. zou in dat geval een halfbroervan de hieronder genoemde andere kinderen kunnen zijn: aangezien deze oudere broers Van Driel niet in de boedelscheiding uit 1407 worden genoemd zullen zij in leder geval een andere moeder dan Margriete hebben gehad.

--- :Vermelding.
In de Zuid-hollandse domeinrekeningen (1383--1386) van rentmeester Goedscalc van Brakel zijn de kopers van korentienden van Zwijndrecht met name genoemd.

In drie rekeningen wordt jonge Jan Jansz v Driel als koper van koren tienden in de Zwijndrechtde Waard (jaren 1383, 1384, en 1385 ).

Op zaterdag 1 december 1403 keerde Jan Jansz de pandinghe (=gerechtelijke beslaglegging) die Jan Scoenhout op hem gelegd had. Jan Jansz. bestreed het beslag met een schepenbrief van rente die hem die abt van Baerne opgedraghe(n) heeff. Met deze schepenbrief als bewijs meende Jan .
Jansz, dat hij geen wete hadde als recht is en dat het beslag onterecht was.

Bijna vier maanden later, in maart van het jaar 1404 dingde Jan Jansz, die havercoper in dezelfde zaak opnieuw voor het gerecht van Dordrecht betreffende de panding op zijn erf in Gherit Heijnricxz. ambochte Jan J nsz verklaarde dat hij niet tijdig had geweten van de panding en hij hoop te dat dit uit het register en de getuigenis van de heemraden van het ambacht zou blijken.

Hij meende dat hij de panding mocht keren binnen de eerste veertien dag n. Daarop zei Jan Scoenhout dat zijn knecht namens hen Jan Jansz een wete gedaen hadde verwittigd had, en dat de vierschaar dit had bevestigd .Hij meende daarom dat hij hetbeslag met recht volghen soude.

Na hoor en wederhoor, vonnisten de schepenen dat indien Jan Jansz aannemel ijk kon maken dat hij niet had geweten van de panding, dat hij alsnog binnen veertien dagen de panding mocht keren.

Als bewijs hiervoor zou hij een verklaring onder ede moeten laten aflegg en door de schout en twee of meer heemraden van Gherit Henricxz Ambacht.

Op 13 augustus 1423 beloofde Jaene v Driel voor schepenen van Dordrecht, dat zij de koeien die zijn had ontvangen van de voogd van Lijsbeth, de onmondige dochter van Piet(er) Michielsz, zou terug geven op de Dordtse bamismarkt (in oktober).

Uit een enkele dagen later gepasseeerde akte blijkt, dat deze voogd niemand minder was dan haar zoon Jan van Driel. Deze verklaarde dat hij aan Jaene Jans weduwe van Driel verkocht had een zekere haver staende opt land en zekere stije (stee) met toebehoren en beesten: 4 koeien, 4 kalveren en 15 ooien.

Jan v Driel had dit goed als voogd van Lijsbeth Pieter Michielsdochter geplant en (de) geeyghent (.) op Heye(n) van D(r)yel sine broeder.

In dezelfde akte van 16 aug. 1423 verklaarde Jaene dat zij Jan van Dryel verkocht had 3 morgen land in Schiltmanskinderenambacht gehe(te)n die poerkamp.

 

tr. (1) circa 1352
met

Margriete Meeuwesdr, geb. circa 1330.

Margriete Meeuwesdr.
In het klepboek van Dordrecht is een veroordeling uit het jaar 1394 opgetekend, waarbij een zekere Aecht v Driel voor drie jaar verbannen werd. De reden van verbanning wordt niet vermeld.
Een lichter vergrijp was gepleegd door Margriete v Driel, die samen met drie andere vrouwen in 1412 werd beschuldigd van qwaed werck, van quaetsprecken ende onzedeliken leven .
Zij werden veroordeeld tot het leveren van elk 1000 stenen voor de bouw van de kerk, een in die tijd niet ongebruikelijke boete, die ten goede kwam aan de gehele stedelijke gemeenschap.
Vermoedelijk behoorden zowel Aechte als Margriete v Driel tot de verwanten van Jan v Driel :het is niet uitgesloten dat een van beiden diens echtgenote of weduwe was.
In dat verband is een Dordtse akte uit het jaar 1407 interressant, waarin een boedelscheiding plaats vond tussen Jan ( Willemsz. ) van Beveren, als man van Margriete Meeus Meeuszdochter, en een zekere Heinken Jansz. Uit die akte blijkt dat Heinken Jansz. een zoon was van Margriete Meeus Meeuszdochter uit haar eerste huwelijk met Jan Jansz.!.
Het is niet ondenkbaar dat Margriete Meeus Meeusz, identiek was met de in 1412 veroordeelde Margriete v Driel, Heinken Jansz zou in dat geval een halfbroer van de hieronder genoemde kinderen kunnen zijn : aangezien deze oudere broers Van Driel niet in de boedelscheiding uit 1407 worden genoemd zullen zij in ieder geval een andere moeder dan Margriete hebben gehad.
Uit dit huwelijk ้้n zoon tr. (ongeveer 30 jaar oud) (1) circa 1355 Mogelijk !!!! met N. N.

Uit dit huwelijk een zoon:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1355 Sandelingen Ambacht †1421 Zwijndrechtse Waard 66



Margriete Meeuwesdr
Margriete Meeuwesdr, geb. circa 1330.

Margriete Meeuwesdr.
In het klepboek van Dordrecht is een veroordeling uit het jaar 1394 opgetekend, waarbij een zekere Aecht v Driel voor drie jaar verbannen werd. De reden van verbanning wordt niet vermeld.
Een lichter vergrijp was gepleegd door Margriete v Driel, die samen met drie andere vrouwen in 1412 werd beschuldigd van qwaed werck, van quaetsprecken ende onzedeliken leven .
Zij werden veroordeeld tot het leveren van elk 1000 stenen voor de bouw van de kerk, een in die tijd niet ongebruikelijke boete, die ten goede kwam aan de gehele stedelijke gemeenschap.
Vermoedelijk behoorden zowel Aechte als Margriete v Driel tot de verwanten van Jan v Driel :het is niet uitgesloten dat een van beiden diens echtgenote of weduwe was.
In dat verband is een Dordtse akte uit het jaar 1407 interressant, waarin een boedelscheiding plaats vond tussen Jan ( Willemsz. ) van Beveren, als man van Margriete Meeus Meeuszdochter, en een zekere Heinken Jansz. Uit die akte blijkt dat Heinken Jansz. een zoon was van Margriete Meeus Meeuszdochter uit haar eerste huwelijk met Jan Jansz.!.
Het is niet ondenkbaar dat Margriete Meeus Meeusz, identiek was met de in 1412 veroordeelde Margriete v Driel, Heinken Jansz zou in dat geval een halfbroer van de hieronder genoemde kinderen kunnen zijn : aangezien deze oudere broers Van Driel niet in de boedelscheiding uit 1407 worden genoemd zullen zij in ieder geval een andere moeder dan Margriete hebben gehad.
Uit dit huwelijk ้้n zoon tr. (ongeveer 30 jaar oud) (1) circa 1355 Mogelijk !!!! met N. N.

tr. circa 1352
met

Jan van Driel, zn. van Jan Jansz de oude van Driel en Cornelia Abramsdr Brouwer, geb. Zwijndrechtse Waard (te Zwijndrecht) circa 1325, ovl. Zwijndrecht voor 1385, Hij krijgt geen kinderen.

 


Jan van Driel.
Jan is wellicht dezelfde als Johan van Driel, die in 1384 een voogdijschap over Beatrix van der Dussen toegewezen kreeg, vrouwe van Ammerzoden in de Bommelerwaard.
Jan van Driel wordt in 1382 vermeld in de domeinrekening van Zuid-Holland, wegens een levering aan de stad Dordrecht, vermoedelijk van rijshout. In 1385 kocht Jan van Driel een korentiende in het land van Zwijndrecht, in "Aper ende Jans van Leyden ghemeijn Volgherlant". In de domeinrekeningen van Zuid-Holland wordt rond de jaren 1383-1385 nadrukkelijk een jonge Jan (Jansz.) van Driel genoemd. Deze aanduiding zou kunnen betekenen, dat de vader vande jonge Jan Jansz.van Driel een zelfde patroniem heeft gehad: (oude Jan Jansz. van Driel.
Jan van Driel zou identiek kunnen zijn met Johan van Driel, die in 1384 was toegewezen als voogd aan Beatrijs van der Dussen, vrouwe van Ammerzoden, in de Bommelerwaard: "Johan van Drile hoeren gekoeren momber, die hoer mit ordeel en mit rechte gegeven ward". Wellicht was dit dezelfde als Jan van Driel, poorter van Utrecht, wiens dode lichaam in 1394 in plechtige processie werd vervoerd naar zijn laatste rustplaats in de Sinte Marie aldaar. Hij huwde mogelijk 1e (voor ca 1355): N.N. Hij huwde mogelijk 2e (voor ca 1385): N.N. (Margriete Meeus Meeuszsdochter?). In het klepboek van Dordrecht is een veroordeling uit het jaar 1394 opgetekend, waarbij een zekere Aecht van Driel voor drie jaren verbannen werd. De reden van verbanning wordt niet vermeld. Een lichter vergrijp was gepleegd door Margriete van Driel, die samen met drie andere vrouwen in 1412 werd beschuldigd "van quaed werck, van quaetsprecken ende onzedeliken leven". Zij werden veroordeeld tot het leveren van elk 1000 stenen voor de bouw van de kerk, een in die tijd niet ongebruikelijke boete, die ten goede kwam aan de gehele stedelijke gemeenschap. Vermoedelijk behoorden zowel Aechte als Margriete van Driel tot de verwanten van Jan van Driel: het is niet uitgesloten dat een van beiden diens echtgenote of weduwe was. In dat verband is een Dordtse akte uit het jaar 1407 interessant, waarin een boedelscheiding plaatsvond tussen Jan (Willemsz.) van Beveren, als man van Margriete Meeus Meeusdochter, en een zekere Heinken Jansz. Uit de akte blijkt dat Heinken Jansz. een zoon was van Margriete Meeus Meeuszdochter uit haar eerste huwelijk met Jan Jansz! Het is niet ondenkbaar dat Margriete Meeus Meeus, identiek was met de in 1412 veroordeelde Margriete van Driel. Heinken Jansz. zou in dat geval een halfbroer van de hieronder genoemde andere kinderen kinnen zijn: aangezien deze oudere broers Van Drielniet in de boedelscheiding uit 1407 worden genoemd zullen zij in ieder geval een andere moeder dan Margriete hebben gehad.
Jan van Driel, geboren circa 1325. Jan van Driel wordt in 1382 vermeld in de domeinrekening van Zuid-Holland, wegens een levering aan de stad Dordrecht, vermoedelijk van rijshout. In 1385 kocht Jan van Driel een korentiende in het land van Zwijndrecht, in "Aper ende Jans van Leyden ghemeijn Volgherlant". In de domeinrekeningen van Zuid-Holland wordt rond de jaren 1383-1385 nadrukkelijk een jonge Jan (Jansz.) van Driel genoemd. Deze aanduiding zou kunnen betekenen, dat de vader van deze jonge Jan Jansz. van Driel een zelfde patroniem heeft gehad: (oude) Jan Jansz. van Driel!.
Jan van Driel zou identiek kunnen zijn met Johan van Driel. die in 1384 was toegewezen als voogd aan Beatrijs van der Dussen, vrouwe van Ammerzoden, in de Bommelerwaard: "Johan van Drile hoeren gekoeren momber, die hoer mit ordeel en mit rechte gegeven ward". Wellicht was dit dezelfde als Jan van Driel, poorter van Utrecht, wiens dode lichaam in 1394 in plechtige processie werd vervoerd naar zijn laatste rustplaats in de Sinte Marie aldaar.
Gehuwd (1) met N. N. (zie 362497).
Gehuwd (2) met N. N. In het klepboek van Dordrecht is een veroordeling uit het jaar 1394 opgetekend, waarbij een zekere Aecht van Driel voor drie jaar verbannen werd. De reden van verbanning wordt niet vermeld. Een lichter vergrijp was gepleegd doorMargriete van Driel, die samen met drie andere vrouwen in 1412 werd beschuldigd "van quaed werck, van quaetsprecken ende onzedeliken leven". Zij werden veroordeeld tot het leveren van elk 1000 stenen voor de bouw van de kerk, een in die tijd niet ongebruikelijke boete, die ten goede kwam aan de gehele stedelijke gemeenschap. Vermoedelijk behoorden zowel Aechte als Margriete van Driel tot de verwanten van Jan van Driel: het is niet uitgesloten dat .n van beiden diens echtgenote of weduwe was.In dat verband is een Dordtse akte uit het jaar 1407 interessant, waarin een boedelscheiding plaats vond tussen Jan (Willemsz.) van Beveren, als man van Margriete Meeus Meeuszdochter, en een zekere Heinken Jansz. Uit de akte blijkt dat Heinken Jansz. een zoon was van Margriete Meeus Meeuszdochter uit haar eerste huwelijk met Jan Jans.! Het is niet ondenkbaar dat Margriete Meeus NIeeusz. identiek was met de in 1412 veroordeelde Margriete van Driel. Heinken Jansz. zou in dat geval een halfbroervan de hieronder genoemde andere kinderen kunnen zijn: aangezien deze oudere broers Van Driel niet in de boedelscheiding uit 1407 worden genoemd zullen zij in leder geval een andere moeder dan Margriete hebben gehad.

--- :Vermelding.
In de Zuid-hollandse domeinrekeningen (1383--1386) van rentmeester Goedscalc van Brakel zijn de kopers van korentienden van Zwijndrecht met name genoemd.

In drie rekeningen wordt jonge Jan Jansz v Driel als koper van koren tienden in de Zwijndrechtde Waard (jaren 1383, 1384, en 1385 ).

Op zaterdag 1 december 1403 keerde Jan Jansz de pandinghe (=gerechtelijke beslaglegging) die Jan Scoenhout op hem gelegd had. Jan Jansz. bestreed het beslag met een schepenbrief van rente die hem die abt van Baerne opgedraghe(n) heeff. Met deze schepenbrief als bewijs meende Jan .
Jansz, dat hij geen wete hadde als recht is en dat het beslag onterecht was.

Bijna vier maanden later, in maart van het jaar 1404 dingde Jan Jansz, die havercoper in dezelfde zaak opnieuw voor het gerecht van Dordrecht betreffende de panding op zijn erf in Gherit Heijnricxz. ambochte Jan J nsz verklaarde dat hij niet tijdig had geweten van de panding en hij hoop te dat dit uit het register en de getuigenis van de heemraden van het ambacht zou blijken.

Hij meende dat hij de panding mocht keren binnen de eerste veertien dag n. Daarop zei Jan Scoenhout dat zijn knecht namens hen Jan Jansz een wete gedaen hadde verwittigd had, en dat de vierschaar dit had bevestigd .Hij meende daarom dat hij hetbeslag met recht volghen soude.

Na hoor en wederhoor, vonnisten de schepenen dat indien Jan Jansz aannemel ijk kon maken dat hij niet had geweten van de panding, dat hij alsnog binnen veertien dagen de panding mocht keren.

Als bewijs hiervoor zou hij een verklaring onder ede moeten laten aflegg en door de schout en twee of meer heemraden van Gherit Henricxz Ambacht.

Op 13 augustus 1423 beloofde Jaene v Driel voor schepenen van Dordrecht, dat zij de koeien die zijn had ontvangen van de voogd van Lijsbeth, de onmondige dochter van Piet(er) Michielsz, zou terug geven op de Dordtse bamismarkt (in oktober).

Uit een enkele dagen later gepasseeerde akte blijkt, dat deze voogd niemand minder was dan haar zoon Jan van Driel. Deze verklaarde dat hij aan Jaene Jans weduwe van Driel verkocht had een zekere haver staende opt land en zekere stije (stee) met toebehoren en beesten: 4 koeien, 4 kalveren en 15 ooien.

Jan v Driel had dit goed als voogd van Lijsbeth Pieter Michielsdochter geplant en (de) geeyghent (.) op Heye(n) van D(r)yel sine broeder.

In dezelfde akte van 16 aug. 1423 verklaarde Jaene dat zij Jan van Dryel verkocht had 3 morgen land in Schiltmanskinderenambacht gehe(te)n die poerkamp.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1355 Sandelingen Ambacht †1421 Zwijndrechtse Waard 66


Jan Jansz de oude van Driel
 
Jan Jansz de oude van Driel, geb. Ridderkerk op 29 dec 1305, ovl. Zwijndrechtse Waard op 14 apr 1385.


Jan Jansz de oude van Driel.
vermeld 1382 in de domeinrekening van Zuid-Holland wegens een levering aan de stad Dordrecht. Woonde vermoedelijk in de Zwijndrechtse Waard.Jan (Johan) de jonge van DRIEL, geb. ca. 1325, levert waarsch. rijshout aan de stad Dordrecht (1382), koper korentiende in het land van Zwijndrecht, in "Aper ende Jans van Leyden ghemeijn Volgherlant" (1385); in de domeinrekeningen van Zuid-Holland nadrukkelijk jonge Jan (Jansz) van Driel genoemd (1383-1385) hetgeen zou kunnen betekenen dat de vader van deze jonge Jan Jansz. een zelfde patroniem heeft gehad, nl. oude Jan Jansz van Driel. , overl. Zwijndrechtse Waard 1382/1385, tr. 2e Margriete Meeuwsdr. Meeus, overl. na 1407, waarsch. dr. van Meeus Meeusz, schepen van Dordrecht (1369), zij tr. 2e Jan (Willemsz.) van Beveren, tr. 1e ?. /// Jan van Driel zou identiek kunnen zijn met Johan van Driel, die in 1384 was toegewezen als voogd aan Beatrijs van der Dussen, vrouwe van Ammerzoden, in de Bommelerwaard: "Johan van Drile hoeren gekoeren momber, die hoer mit ordeel en mit rechte gegevenward"; wellicht was dit dezelfde als Jan van Driel, poorter van Utrecht, wiens dode lichaam in 1394 in plechtige processie werd vervoerd naar zijn laatste rustplaats in de Sinte Marie aldr.; in het klepboek van Dordrecht is een veroordeling uit het jaar 1394 opgetekend, waarbij een zekere Aecht van Driel voor drie jaar verbannen werd; de reden voor de verbanning wordt niet verm. ; een lichter vergrijp was gepleegd door Margriete van Driel, die samen met drie andere vrouwen in 1412 werd beschuldigd "van quaed werck, van quaetsprecken ende onzedeliken leven"; zij werden veroordeeld tot het leveren van elk 1000 stenen voor de bouw van de kerk, een in die tijd niet ongebruikelijke boete, die ten goede kwam aan de gehele stedelijke gemeenschap; vermoedelijk behoorden zowel Aechte als Margriete tot de verwanten van Jan van Driel; het is niet uitgesloten dat een van beiden diens echtgenote of wed. was; in dat verband is een Dordtse akte uit het jaar 1407 interessant, waarin een boedelscheiding plaats vond tussen Jan (Willemsz.) van Beveren, als man van Margriete Meeus Meeuszdochter, en een zekere Heinken Jansz.; uit de akte blijkt dat Heinken Jansz. een zoon was van Margriete Meeus Meeuszdochter uit haar eerste huwel. met Jan Jansz.; het is niet ondenkbaar dat Margriete Meeus Meeusz. identiek was met de in 1412 veroordeelde Margriete van Driel; Heinken Jansz. zou in dat geval een halfbroer zijn van de andere kinderen uit het 1e huwel.; aangezien deze oudere broers van Driel niet in de boedelscheiding uit 1407 worden genoemd zullen zij in leder geval een andere moeder dan Margriete hebben gehad.

Diverse leden van het geslacht Van Driel worden vermeld als Landpoorter van Dordrecht, een status die voor de betreffende personen ongetwijfeld voordelen zal hebben gehad.
Mevrouw Bos-Rops zegt hierover in haar proefschrift over de inkomsten van de graven van Holland en Zeeland "hij (de landpoorter) viel onder de rechtsregels van een stad en profiteerde mee van van stedelijke privileges.
Dat hield in dat zijn juridische zaken werden behandeld door de stedelijke rechtbank, niet meer door de grafelijke Baljuw, en dat bijvoorbeeld de tolvrijdom die aan de stad was verbonden ook gold voor zijn goederen.
Aangezien diverse leden van het geslacht Van Driel actief waren als handelaar, was dit laatste aspect voor hem van groot (financieel ) belang.
Een tak Van Driel verruilde de status van landpoorter voor die van gewoon poorter van Dordrecht en wist door verworven welvaart en wellicht door enkele goed huwelijken tot het Patriciaat van deze stad door te dringen.

 

tr.
met

Cornelia Abramsdr Brouwer, dr. van Abraham Brouwer en Maaike van der Waal, geb. Ridderkerk circa 1292, ovl. Charlois in 1345.

Uit dit huwelijk een zoon:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1325 Zwijndrechtse Waard †1385 Zwijndrecht 60


Cornelia Abramsdr Brouwer
Cornelia Abramsdr Brouwer, geb. Ridderkerk circa 1292, ovl. Charlois in 1345.

tr.
met

Jan Jansz de oude van Driel, zn. van Jan Melsz van Driel en Pietertje Kermis, geb. Ridderkerk op 29 dec 1305, ovl. Zwijndrechtse Waard op 14 apr 1385.

 


Jan Jansz de oude van Driel.
vermeld 1382 in de domeinrekening van Zuid-Holland wegens een levering aan de stad Dordrecht. Woonde vermoedelijk in de Zwijndrechtse Waard.Jan (Johan) de jonge van DRIEL, geb. ca. 1325, levert waarsch. rijshout aan de stad Dordrecht (1382), koper korentiende in het land van Zwijndrecht, in "Aper ende Jans van Leyden ghemeijn Volgherlant" (1385); in de domeinrekeningen van Zuid-Holland nadrukkelijk jonge Jan (Jansz) van Driel genoemd (1383-1385) hetgeen zou kunnen betekenen dat de vader van deze jonge Jan Jansz. een zelfde patroniem heeft gehad, nl. oude Jan Jansz van Driel. , overl. Zwijndrechtse Waard 1382/1385, tr. 2e Margriete Meeuwsdr. Meeus, overl. na 1407, waarsch. dr. van Meeus Meeusz, schepen van Dordrecht (1369), zij tr. 2e Jan (Willemsz.) van Beveren, tr. 1e ?. /// Jan van Driel zou identiek kunnen zijn met Johan van Driel, die in 1384 was toegewezen als voogd aan Beatrijs van der Dussen, vrouwe van Ammerzoden, in de Bommelerwaard: "Johan van Drile hoeren gekoeren momber, die hoer mit ordeel en mit rechte gegevenward"; wellicht was dit dezelfde als Jan van Driel, poorter van Utrecht, wiens dode lichaam in 1394 in plechtige processie werd vervoerd naar zijn laatste rustplaats in de Sinte Marie aldr.; in het klepboek van Dordrecht is een veroordeling uit het jaar 1394 opgetekend, waarbij een zekere Aecht van Driel voor drie jaar verbannen werd; de reden voor de verbanning wordt niet verm. ; een lichter vergrijp was gepleegd door Margriete van Driel, die samen met drie andere vrouwen in 1412 werd beschuldigd "van quaed werck, van quaetsprecken ende onzedeliken leven"; zij werden veroordeeld tot het leveren van elk 1000 stenen voor de bouw van de kerk, een in die tijd niet ongebruikelijke boete, die ten goede kwam aan de gehele stedelijke gemeenschap; vermoedelijk behoorden zowel Aechte als Margriete tot de verwanten van Jan van Driel; het is niet uitgesloten dat een van beiden diens echtgenote of wed. was; in dat verband is een Dordtse akte uit het jaar 1407 interessant, waarin een boedelscheiding plaats vond tussen Jan (Willemsz.) van Beveren, als man van Margriete Meeus Meeuszdochter, en een zekere Heinken Jansz.; uit de akte blijkt dat Heinken Jansz. een zoon was van Margriete Meeus Meeuszdochter uit haar eerste huwel. met Jan Jansz.; het is niet ondenkbaar dat Margriete Meeus Meeusz. identiek was met de in 1412 veroordeelde Margriete van Driel; Heinken Jansz. zou in dat geval een halfbroer zijn van de andere kinderen uit het 1e huwel.; aangezien deze oudere broers van Driel niet in de boedelscheiding uit 1407 worden genoemd zullen zij in leder geval een andere moeder dan Margriete hebben gehad.

Diverse leden van het geslacht Van Driel worden vermeld als Landpoorter van Dordrecht, een status die voor de betreffende personen ongetwijfeld voordelen zal hebben gehad.
Mevrouw Bos-Rops zegt hierover in haar proefschrift over de inkomsten van de graven van Holland en Zeeland "hij (de landpoorter) viel onder de rechtsregels van een stad en profiteerde mee van van stedelijke privileges.
Dat hield in dat zijn juridische zaken werden behandeld door de stedelijke rechtbank, niet meer door de grafelijke Baljuw, en dat bijvoorbeeld de tolvrijdom die aan de stad was verbonden ook gold voor zijn goederen.
Aangezien diverse leden van het geslacht Van Driel actief waren als handelaar, was dit laatste aspect voor hem van groot (financieel ) belang.
Een tak Van Driel verruilde de status van landpoorter voor die van gewoon poorter van Dordrecht en wist door verworven welvaart en wellicht door enkele goed huwelijken tot het Patriciaat van deze stad door te dringen.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1325 Zwijndrechtse Waard †1385 Zwijndrecht 60


Jan Corstiaensz van Hamond
Jan Corstiaensz van Hamond, geb. circa 1616.


Hij krijgt een zoon:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Dirk*1643 IJsselmonde 1697 IJsselmonde 53